Weg met die trui?

Standaard
Image credit: Steve Snodgrass

Wisdrift. Een mooi, zelf bedacht woord waarmee oud-leraar klassieke talen Wolter Kassies tijdens de Revius reünie in Doorn een hedendaags fenomeen aan de orde stelt. Hij ziet teveel verdwijnen: veel van het oude, van het goede en ook van het slechte. De neiging ons slavernijverleden uit te willen poetsen bijvoorbeeld; te wissen, deleten, alsof het niet bestaan heeft. Maar het maakt onderdeel uit van ons verleden en ook van ons heden. Een last die we moeten dragen wellicht, maar ook ons noodzakelijk blijvend bewustzijn van een gemaakte fout die niet te herstellen valt, maar wel een tweede maal te voorkomen is. Het uitwissen van een onderdeel van ons verkeerde verleden is onnodige wisdrift, stelt Kassies. Onnodig, en het tast onze culturele identiteit aan. Het kan natuurlijk ook doorschieten naar de andere kant en dan spreekt Kassies over behoudzucht; koste wat kost vasthouden aan het oude. Natuurlijk ligt de juiste weg – zoals vaker – in het midden.

Het is bijzonder om een les bij te wonen van deze docent, ruim 90 jaar oud, zeer belezen, een wandelende encyclopedie der klassieken en nog altijd scherp; met humor lesgevend, de oud-leerlingen op de vingers tikkend als ze de gevraagde vertalingen of feiten niet snel paraat hadden. Wat fantastisch, denk ik, zo’n bevlogen man die hier nog steeds vol passie zijn verhaal vertelt en hóe: alles uit het hoofd en uit het hart met een duidelijke liefde voor zijn vak en voor de mens.

Het ontroert me ook. Wisdrift. Bij Kassies is er geen sprake van gewis. Alles is er nog, even belangrijk om te vertellen, even sterk gevoeld als toen hij lesgaf. Hij heeft het goede altijd behouden; is de passie voor het vak blijven voelen en geniet op zijn leeftijd nog met volle teugen wanneer hij weer even lesgeeft. Ik miste het lesgeven zelf al een tijdje. Ik voelde het al enkele maanden sterk, maar het komt tijdens deze les heel duidelijk binnen: het is voor mij echt tijd om de school weer in te gaan, met kinderen te werken, te doen waar ik goed in ben én waar ik gelukkig van word.

Er is regelmatig sprake van wisdrift in mijn leven. Heel praktisch is mijn kledingkast dan slachtoffer van zo’n bui, of spullen in huis. Onrust in mijn hoofd, in mijn lijf en dan de behoefte om te ruimen en te herordenen. Wisdrift. Om een punt te zetten achter een bepaalde levensfase. Maar geen complete vernieuwingsdrang. Altijd ook het goede van het oude behouden. En niet in de zin van: deze trui is nog goed, dus ik doe hem niet weg. Het kan kwalitatief goed zijn, maar het moet ook passen in een nieuwe situatie, een nieuwe fase. Past het niet, dan mag het heus wel weg. Geen behoudzucht. Al heb ik daar af en toe ook last van: dat hemd kan echt niet weg, want dat had ik aan toen mijn eerste geboren werd. Maar dat is eigenlijk een mooie vorm van koesteren. Van warm herinneren. Het hoeft niet meer gedragen te worden, maar het zal er altijd zijn.

Ik heb een nieuwe baan. Ik geef weer les. In een nieuwe stad, op een school die géén montessorischool is. En dus doe ik na ruim tien jaar mijn montessoritrui uit. Niet weg. Ik houd hem in mijn kast. Het blijft stiekem toch mijn lievelingstrui. Als het nodig en passend is, trek ik hem aan. Geen wisdrift, geen behoudzucht, maar de prachtige middenweg: richting mijn nieuwe levensfase als leraar en schoolleider in opleiding, buiten het montessorionderwijs, maar met warm en liefdevol behoud van al het goede.

Deze tekst is eerder verschenen als column in Montessori Magazine 40-3.

Advertenties

Lekker opscheppen

Standaard
Image credit: Scott Robinson

Meer dan eens vroeg ik me de afgelopen jaren af waarom er toch zo vaak iets bij moet komen op ons onderwijsbordje. Waarom onze beroepsgroep telkens opnieuw aangewezen wordt om toch écht meer aandacht te besteden aan muziekonderwijs, techniekonderwijs of bewegingsonderwijs. Om burgerschapsvorming intensiever aan te bieden, met lessen voor de democratie en vanzelfsprekend tegen pesten en radicalisering. De thema’s waarmee leraren meer aan de slag zouden moeten – volgens OC&W, volgens de wetenschap, volgens de media – allemaal belangrijk, echt waar. Maar past het nog op ons bordje? Zo wordt het toch allemaal koud? Waar blijft onze eetlust dan nog?

Neem nou Alexander Rinnooy Kan met zijn voorstel vorig jaar om warme maaltijden op school te introduceren. Op zijn missie is niets aan te merken (afgezien van een berg aan praktische en financiële bezwaren). Er is niemand tegen een goede middagmaaltijd, waarbij kinderen gevarieerd en gezond leren eten en liefst de maaltijden ook zelf mee helpen bereiden. Maar wie is er nou eigenlijk verantwoordelijk voor de innerlijke jonge mens? Leraren of ouders?

Het schuurt wel vaker in het schemergebied van rollen en verantwoordelijkheden over opvoeding en onderwijs. Er zijn leraren die vinden dat ouders te ver gaan in het stellen van bepaalde eisen in het onderwijsaanbod, ook al hebben ouders misschien een terechte zorg. En er zijn ouders die vinden dat leraren zich niet moeten bemoeien met de bedtijd van de kinderen, ook al observeert de leraar voortdurend een gapend kind dat moeite heeft met concentreren.

In een maakbare wereld zou het allemaal heel logisch zijn. Tussen 8.15 en 15.00 uur zijn de kinderen onze verantwoordelijkheid. Voor en na die tijd is het aan de ouders. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Wij verwachten bijvoorbeeld meer dan eens dat ouders ons een handje helpen op school of dat ouders hun kind een handje helpen met huiswerk. Mogen ouders dan ook van ons verwachten dat we een deel van hun taak overnemen en een gezonde warme lunch aanbieden? Maar nemen wij dan niet de verantwoordelijkheid van ouders over?

Misschien begint het allemaal wel met de eerste schooldag: ouders brengen hun kind naar school, dragen hun kind over en daarmee een deel van de opvoeding. Welk deel precies, daar gaat de school over, maar wél in voortdurende samenspraak met ouders over rollen en verantwoordelijkheden. Neem bijvoorbeeld een meisje dat keer op keer zonder ontbijt naar school wordt gestuurd. Als ze door haar lege maag op school niet tot leren komt, is het ook onze verantwoordelijkheid. Dus smeren we met liefde een boterham en delen we ons fruit, zodat ze energie heeft om aan het werk te gaan. En dan gaan we met de ouders praten over hún verantwoordelijkheid. Zeggen dat we ons zorgen maken en vragen wat we voor ze kunnen betekenen om er samen voor te zorgen dat hun kind op school kan leren.

Opvoeden doen we echt samen. En het is een hele eer dat ouders hun kinderen aan ons toevertrouwen. Het is ook een hele eer dat een lid van de Eerste Kamer vindt dat we een bijdrage kunnen leveren aan het gezonde innerlijke kind, dat de staatssecretaris onze hulp nodig heeft bij het verdedigen van de democratie, dat wetenschappers ons toevertrouwen de hersens van onze kinderen beter te activeren door een breder muzikaal aanbod. Het zijn complimenten aan onze beroepsgroep. We krijgen het vertrouwen alle uitdagingen van de maatschappij aan te pakken. Je zult maar leraar zijn, wat een topbaan! Ik schep lekker nog een keer op. Die energie kan ik wel gebruiken.

Deze tekst is eerder verschenen als column in Montessori Magazine 40-2.

Altijd honger

Standaard
Image credit: Adrien Sifre

Wat is het geheim van jouw succes als leraar Femke?

Een mooie vraag die ik kreeg van een van de deeltijdstudenten van de HAN Pabo waar ik onlangs mee in gesprek mocht. Het was een waardevolle avond met een scala aan prachtige uiteenlopende onderwijsthema’s waar de studenten zich in verdiepten: ouderparticipatie, Engels in de kleuterklas, Passend Onderwijs, het ideale schoolgebouw en nog veel meer. Aan mij de eer om overal wat over te zeggen. Daarmee hoopte ik de studenten te inspireren en ze verder te helpen in hun kritisch denkproces over hun onderwerp.

En toen kwam die vraag. Hij kwam niet geheel uit het niets. Hij kwam een beetje aan het einde van de intensieve sessie van 1,5 uur. Het is ook een vraag die ik – zij het in andere woorden – wel vaker heb gekregen als Leraar van het Jaar. Iedereen wil weten waarom nou uitgerekend jij de beste bent, waarop ik elke keer weer opnieuw moet uitleggen dat de verkiezing niet om de beste leraar draait, maar om het promoten van ons beroep. En dat mag dan door een uitverkozen ambassadeur gedaan worden. En die ambassadeur is een goede leraar, natuurlijk niet de beste. Ik denk ook niet dat die bestaat.

Wij hebben namelijk een beroep waarin je nooit uitgeleerd bent. En ook al kun je stellen dat er eigenlijk geen enkel beroep is waarvoor je ooit uitgeleerd raakt, denk ik dat het voor leraren extra belangrijk is om je er bewust van te blijven dat je nooit klaar bent met leren.
Ten eerste omdat je werkt met een doelgroep die telkens anders is; de groep leerlingen die dit jaar wat anders nodig heeft dan vorig jaar, de individuele leerling die vandaag wat anders nodig heeft dan gisteren. Ten tweede omdat je als leraar verplicht bent om het goede voorbeeld te geven aan je leerlingen. Je bent nieuwsgierig, je kunt je verwonderen, je wilt leren over zaken waar je wat minder van af weet, je wilt je verdiepen in zaken waar je onderwijshart sneller van gaat kloppen. Kortom, je blijft werken aan je professionalisering.

Mijn geheim? Ik heb altijd honger. Honger naar kennis. Ik heb leren altijd heel erg leuk gevonden en wil mijzelf blijven voeden met nieuwe inzichten; verkregen door feedback van leerlingen, het lezen van een goed onderwijsboek, het voeren van mooie onderwijsdialogen. Voor mij geldt echt: ik leer, dus ik leef! Stilstaan in mijn ontwikkeling is geen optie. Leidt dat willen leren dan automatisch tot succes? Nee, dat denk ik niet. Het hebben van een nieuwsgierige houding is één, ernaar handelen is de vervolgstap. Ik werk planmatig, doelgericht en zet door. Dat alles vanuit passie voor mijn beroep, vanuit het geloof dat het altijd beter kan. Ik heb inmiddels wel geleerd om ook mijn successen te vieren en te zien en waarderen wat er allemaal goed gaat, op zijn tijd even stil te staan, rust te nemen en te genieten van de resultaten. Om vervolgens mijn knorrende geest weer te horen: tijd voor nieuw onderwijsvoer!

Deze tekst is eerder verschenen als column in magazine De Nieuwe Leraar, 2016, #5

Even stilstaan…en gáán!

Standaard
Image credit: Moyan Brenn

Waarom ben je leraar geworden?
Waarom ben je nu leraar?
Waarom wil je leraar blijven?
Hoe wil je dan leraar blijven?

Wanneer ik – in mijn rol als ambassadeur van de Onderwijscoöperatie [1] –  leraren stil laat staan bij deze vragen, dan wakker ik hun onderwijsvuurtje aan. Even een kijkje in het verleden: wat waren mijn idealen? Even bewust zijn van het nu: is het onderwijs dat wat ik ervan verwacht had en ben ik nog tevreden met mijn leraarschap? Even een blik op de toekomst: Wat betekenen die antwoorden voor het vervolg van mijn loopbaan? Doe ik eigenlijk wel de dingen die ik wil doen? Lukt het mij om ze goed te doen? Wat heb ik nodig om te groeien in mijn beroep?

Toen ik de Pabo (deeltijd verkort) deed, ontdekte ik snel dat mijn missie als leraar was de kinderen zo snel mogelijk zo zelfstandig mogelijk te laten zijn. Ik verdiepte mij in diverse (traditionele) onderwijsvernieuwers, in adaptief onderwijs, in literatuur over zelfstandig leren. Ik ontwikkelde het Leesdossier op de basisschool, waardoor kinderen via lees- en kunstonderwijs zelfstandig leerden plannen. Ik was op de reguliere school altijd op zoek naar hoe ik kinderen kon leren het zelf te doen.

Hoe blij was ik dus ook toen ik de kans kreeg om op een montessorischool te werken waar Maria’s ‘help het mij zelf te doen’ centraal stond. Dat ik meteen ook de gelegenheid kreeg om de montessoriopleiding te doen, was voor mij echt een cadeau. Want ik wilde als leraar het ook zo snel en zo goed montessoriaans mogelijk werken. Wat mij als leraar drijft, hangt voor mij erg samen met hoe ik altijd al wilde werken en leren: zelfstandig.

De montessoriopleiding die ik volgde sloot aan op mijn professionaliseringsbehoefte, op mijn manier van leren. Niet elke week ‘schools’ naar de opleiding, maar enkele intensieve contactmomenten waarop ik veel leerde van mijn opleiders, en daarnaast vooral zélf werken en leren in zelfstandig opererende leerteams binnen de eigen regio. Voor iedereen hetzelfde ‘wat’ (doelen), maar eigenaarschap over het ‘hoe’ (aanpak). Voor mij is dit de juiste manier van scholing: leraren zijn zelf verantwoordelijk voor hun ontwikkeling en leggen daar ook zelf verantwoording over af. Wat wij van de kinderen vragen, moeten we ook van onszelf vragen en mogen opleidingen dus ook van ons vragen.

Waarom ben ik leraar geworden? Omdat ik kinderen iets wilde leren.
Waarom ben ik nu leraar? Omdat ik zelf zoveel van kinderen leer.
Waarom wil ik leraar blijven? Omdat ik wil blijven leren en ons beroep daar bij uitstek geschikt voor is.
Hoe wil ik dan leraar blijven? Door mijzelf regelmatig af te vragen of ik nog een gelukkige leraar ben en of ik nog steeds kan doen wat ik wil doen zoals ik het wil doen. En kan ik dat niet? Dan ga ik op zoek naar hoe ik dat dan wel weer kan bereiken. Ik ben tenslotte zelf verantwoordelijk voor mijn (beroeps)geluk en voor mijn (beroeps)ontwikkeling.

Een van onze belangrijkste taken als leraar is voorleven. En zoals we onze kinderen stimuleren bewust en met aandacht te werken aan hun eigen ontwikkeling, zo mogen we ook onszelf en elkaar stimuleren: regelmatig bewust stilstaan bij je beroep, bij je verwachtingen, bij je behoeften. Even stilstaan…en er dan weer helemaal voor gaan!

[1] We mogen trots zijn op ons beroep. We mogen ons professionaliseren. We mogen onszelf laten zien. Dus: sta jij al in het Lerarenregister? Bijna 60.000 leraren gingen je voor: www.registerleraar.nl

Deze tekst is eerder verschenen als column in Montessori Magazine 40-1.

 

To be or not to be a teacher

Standaard
Image credit: Jennifer Sandusky

Ik ben per 1 januari 2016 tijdelijk de klas uit. Ik kreeg de kans om gedetacheerd aan het werk te gaan bij de Onderwijscoöperatie om mij volledig te kunnen storten op het goede doen voor mijn collega-leraren. Als je Leraar van het Jaar wordt, krijg je als ambassadeur de kans om het geluid van jouw onderwijswerkveld te laten horen. Ik neem die verantwoordelijkheid serieus en probeer waar ik kan mijn steentje bij te dragen met als enig doel: goed onderwijs door gelukkige leraren voor gelukkige leerlingen.

Stap in de richting van je idealen
Ik grijp kansen waar ik kan om te werken aan dat doel. Bijvoorbeeld door met politici te praten. Over wat leraren nodig hebben, over wat hen bezighoudt, over waar ze goed in zijn en wat ze moeilijk vinden. Tijdens mijn eerste lunch met Sander Dekker wees ik hem op de problematische klassengrootte in combinatie met Passend Onderwijs én zijn grote focus op meer aandacht voor excellente leerlingen. U vraagt teveel, meneer Dekker. Tijdens mijn eerste kennismaking met Jet Bussemaker pitchte ik over de noodzaak voor een betere begeleiding van starters. U zult de lerarenopleidingen er nog meer bij moeten betrekken, mevrouw Bussemaker. Tijdens de ISTP 2015 kwam ik op voor de stem van de leerling. Tijdens de ISTP 2016 remde ik het ministerie af die de neiging had voor de zoveelste keer iets nieuws te willen lanceren in ons veld terwijl we nog niet eens goed op de hoogte zijn van mooie kansen als het LerarenOntwikkelFonds en onze rol in curriculumontwikkeling. Ik heb niet de illusie dat wat ik zeg ook daadwerkelijk leidt tot grote veranderingen en verbeteringen. Maar elke stap telt. Dat vertel ik mijn leerlingen ook. Elke kleine stap in de richting van je dromen en idealen is de moeite waard.

Wat heeft de wereld van mij nodig?
Vorige week woensdag was ik bij TEDx AmsterdamEd met als thema #BornToLearn. Ik was daar onder de indruk van de talk van Roshan Paul over social innovation en changemaking. Hij vertelde mensen graag te helpen bij belangrijke levenskeuzes, onder andere op het gebied van werk. Hij stelt daarbij essentiële vragen:

Waar ben ik goed in?

Waar word ik gelukkig van?

Wat heeft de wereld van mij nodig?

Ik realiseerde mij dat mijn levensreis zich altijd heeft beperkt tot het voortdurend stellen van de eerste twee vragen. De gevonden antwoorden helpen mij bij met het maken van een keuze: Ik ga naar het Elzendaalcollege, ook al is mijn moeder daar conrector, maar ik word blij van het gebouw. Ik kies biologie in mijn vakkenpakket, ook al raadt iedereen het mij af (veel te moeilijk voor je), maar ik vind het zo’n mooi vak. Ik ga Vergelijkende Kunstwetenschappen studeren, ook al weet niemand eigenlijk wat je daar nou mee kan worden, maar kunst maakt me gelukkig. Ik ga tussendoor in Engeland studeren, ook al krijg ik heimwee, maar ik wil beter worden in Engels. Ik ga stagelopen bij de KunstRAI, ook al krijg ik het doodsbenauwd van al die hotemetoten die voorbijgaan aan kunstbeleving en focussen op de winst, maar ik wil zeker weten dat die wereld niets voor mij is. Ik ga afstuderen in kunsteducatie en schrijf mijn scriptie in het Engels, ook al hoeft dat niet en kost dat meer tijd, maar ik wil mijn Engels onderhouden. Ik ga toch maar naar de open dag van de Pabo, ook al vindt men het raar dat een WO cum laude afgestudeerde zich gaat oriënteren op lesgeven aan jonge kinderen, maar ik was nieuwsgierig. (En mijn moeder was ervan overtuigd dat het iets voor mij zou zijn, dus vooruit dan maar mam, omdat jij het bent en zegt.)

Leraar worden, zijn en blijven
Het bleek een gouden greep, leraar worden. Ik vond het zwaar de eerste jaren, maar wat een mooi en dankbaar vak. Zo betekenisvol, zo zinvol, zo zingevend. Ik fietste vrijwel elke dag fluitend naar mijn werk en fluitend weer terug. Jarenlang kon ik er al mijn eieren in kwijt: liefde voor het zien groeien en bloeien van mensen, voor samen werken aan steeds beter onderwijs, voor het geven van vakken als taal, literatuur, kunst, Engels, geschiedenis en de laatste jaren ICT en sociale media. Ik was er goed in. Ik werd er gelukkig van. Tot ik mij in december 2013 realiseerde dat ik er niet gelukkig genoeg van werd. Het lesgeven alleen bood mij te weinig uitdaging en ik besloot mijn dagen het jaar erop te halveren, zodat ik ook aan de slag kon als montessoritrainer. En toen werd ik ook nog Leraar van het Jaar…

De hybride leraar
Naast ‘Waar ben ik goed in?’ en ‘Waar word ik gelukkig van?’, kwam door het ambassadeurschap ook de vraag ‘Wat heeft de wereld van mij nodig?’ in beeld. Ik zie het als mijn missie om ons vak te promoten. Om studenten te vertellen wat voor goede studiekeuze ze hebben gemaakt. Om invallers en starters te vertellen dat ik hoop dat ze doorzetten, ook al is het zwaar in het begin, maar het is zo de moeite waard om voor het leraarschap te blijven gaan. Om leraren in twijfel (Wil ik nog wel leraar zijn?) te vertellen over mijn eigen loopbaan, mijn keuze om een hybride leraar te worden en enkele banen te combineren. Om mensen te laten stilstaan bij de vraag wat hen in hun leraarschap werkelijk gelukkig maakt of zou maken en wat daar dan voor nodig is.

Hierbij stilstaan doe ik zelf ook voortdurend. En daarbij staat in mijn huidige levensfase de vraag ‘Wat heeft de wereld van mij nodig?’ centraal. Het is een voortdurende zoektocht en ik ben daar ook nooit klaar mee. Ik geloof dat ik op dit moment in mijn leven het beste invulling kan geven aan mijn beoogde doel door er te zijn voor leraren. Dat doe ik met mijn werk bij de Onderwijscoöperatie voor het LerarenOntwikkelFonds en voor het thema curriculumontwikkeling. En dat doe ik met mijn inzet voor starters in het onderwijs, samen met andere Leraren van het Jaar uit de LerarenKamer. Om dit werk goed te doen, op een manier die mij gelukkig maakt, heb ik tijd nodig. Tijd die ik nu krijg door een groot offer te maken: ik geef even geen les en ik mis mijn kinderen. Heeft de wereld het dan niet méér van mij nodig dat ik blijf lesgeven? Kan ik niet het beste dát blijven doen waar ik goed in ben en zo een maximale bijdrage leveren? Misschien wel. En misschien lever ik nu juist mijn maximale wereldbijdrage omdat ik mij inzet voor het geluk en werkplezier van vele leraren. En die leraren samen bereiken met zijn allen nog veel meer kinderen dan ik alleen.

De warme overdracht

Standaard
Image credit: Rafael Sato

Jaren gaf ik les in groep 7/8. De algemene missie van basisscholen om ‘kinderen voorbereiden op de toekomst’ wordt in groep 8 altijd een stuk concreter: ze voorbereiden op de volgende belangrijke stap in hun onderwijscarrière. Een stap naar een groter schoolgebouw waarin je kunt verdwalen (zodat het zweet je uitbreekt, want je hebt vijf minuten om van lokaal te wisselen), een nieuwe vorm van onderwijs waar je aan moet wennen (en als het geen montessori is, wel héél erg aan moet wennen), veel meer leraren voor je neus (met elk een andere gebruiksaanwijzing), alle vakgebieden los aangeboden (Waar is mijn kosmische kapstok? Ik overzie het niet meer!) en dan óók nog allemaal nieuwe kinderen die je moet peilen (want je bent wel stoer en je laat het heus niet zien, maar je hebt toch snel vrienden nodig om niet te verzuipen in de onveilige chaos die de middelbare school op het eerste gezicht lijkt).

En aan ons leerkrachten groep 8 de belangrijke en dankbare taak te zorgen voor verzachtende omstandigheden in de vorm van een goede voorbereiding. Dat betekent dat ik gedurende het laatste jaar van de basisschool steeds meer de nadruk leg op de eigen verantwoordelijkheid voor het leerproces. Dat ik een nog grotere zelfstandigheid verwacht van mijn leerlingen. Dat ik ze regelmatig voorbeelden geef uit de middelbare schoolpraktijk, zodat ze zich kunnen proberen voor te stellen hoe dat gaat zijn straks. Met nadruk op proberen. Want ik heb niet de illusie dat ik de overstap naar het VO werkelijk kan vergemakkelijken. Daar staat het kind toch eigenlijk helemaal alleen voor. Hoeveel hulp en goedbedoelde adviezen het ook krijgt, ieder kind moet uiteindelijk toch zelf beginnen aan dat grote avontuur.

Om dat avontuur toch zo goed mogelijk te laten verlopen, focus ik niet alleen op het kind, maar ook op de ontvangende school. Ja, dat onderwijskundig rapport moet natuurlijk ingevuld worden, maar dat zoveelste afvinklijstje doet bij lange na geen recht aan het kind dat zich acht jaar lang onder onze hoede heeft ontwikkeld. Daar wil ik gewoon over praten met de ontvangende school. Ik wil een warme overdracht. En dat koude rapport krijgen ze er wel bij. De overdracht is bijzonder warm als wij ook de terugkoppeling krijgen vanuit het VO: hoe gaat het met onze oud-leerlingen? Met sommige scholen is die overdracht zo goed, dat we elkaar wederzijds adviseren. Het VO heeft hulp nodig bij de aanpak van een bepaalde leerling en wij kunnen tips gebruiken voor het ‘klaarstomen’ en adviseren van onze achtstegroepers en hun ouders. Mooi, en essentieel, deze warme samenwerking. We zouden er meer tijd voor moeten maken. Een warme overdracht voor iedereen en niet slechts je zorgleerlingen. Werkelijk recht doen aan ieder kind. Zorgen voor een soepele overgang naar het ‘nieuwe leven’.

Want het is zo spannend. Het staat toch in je geheugen gegrift, de eerste schooldag. Extra vroeg opgestaan, want ook al had je gisteravond zorgvuldig je kleren uitgezocht en klaargelegd, vannacht werd je wakker met de conclusie dat dat setje toch geen goed idee is. Bovendien heb je ook de tijd nodig om je hopeloze haar goed te krijgen. Wel hopen dat het niet regent, want je gaat toch echt niet in regenpak naar school. En wat moet je eigenlijk meenemen om te eten? Is een broodtrommel nog wel acceptabel? Maar je krijgt ruzie met je pa als je gaat starten met boterhamzakjes, want dat is slecht voor het milieu. En dat vind jij ook. Want je bent net zo milieubewust als je vader en daar ben je trots op ook. Maar deze eerste schooldag is het milieu even iets minder belangrijk dan jij. Dus je stopt braaf je boterhammen in je broodtrommel, maar grist stiekem die boterhamzakjes ook mee. Voor de zekerheid. Kun je altijd nog omwisselen. Zo. Het avontuur kan beginnen!

Deze tekst is eerder als column verschenen in Montessori Magazine, jaargang 38, nummer 4

Windmolens bouwen

Standaard
Image credit: Jiahui Huang

Afgelopen september mocht ik de aftrap doen van het nieuwe Onderwijspioniersjaar. Ik bestudeerde de zittende pioniers vanaf de zijlijn en ze zagen er moe uit. Niet gek ook, want zeker driekwart van deze leraren had ’s morgens nog lesgegeven en zich moeten haasten om ’s middags in het inspirerende FreedomLab in Amsterdam te kunnen zijn.
Onderwijs is doorzetten. Het is hard werken. Het is soms slopend. Zelfs zo, dat je op sommige dagen, nadat je leerlingen vertrokken zijn, op je bureaustoel ploft en er helemaal niets meer uit je handen komt. Je staart wat voor je uit je weet gewoon even niet meer waar je beginnen moet. Of je eigenlijk nog wel beginnen wíl. Waarom je nog beginnen zou.
Want het is teveel. Er is teveel werk. Mijn to-do-list is te lang, mijn hoofd is te vol, mijn energietank leeg. Het is kwart over drie en ik moet nog beginnen. Zo’n dag dat lesgeven een bijzaak lijkt te zijn. Zo’n dag dat alles aankomt op de uren nádat de leerlingen naar huis zijn. Dan begint het pas: een oudergesprek voeren, vergaderen met de bouw, evalueren van mijn lessen en gemaakt werk, observaties registeren, eigen lessen en het schoolproject plannen en voorbereiden, lokaal poetsen, gang opruimen, werk ophangen, computer aan de praat zien te krijgen etc. etc. O ja, en ook werken aan mijn schooltaken en professionalisering. Nog even tussendoor. Het is niet te doen, tussen 15.00u en 17.00u. Het is eigenlijk gewoon niet te doen.
En tóch zijn er Onderwijspioniers. Leraren die ondanks de werkdruk en hun overvolle agenda iets nieuws willen oppakken, er nog iets bij gaan doen. Leraren die een droom hebben, een goed idee, een mooi beeld, en daar energie van krijgen. Gelukkig maar dat deze pioniersgeest er is, want we hebben onze dromen en idealen hard nodig om ons werk vol te houden, het licht te blijven zien en passie te blijven voelen. Deze pioniers krijgen een kans die álle leraren verdienen: budget en begeleiding, tijd en ruimte om nieuwe onderwijsideeën een kans te geven en te implementeren.
Ik geef de pioniersgroep tijdens de aftrap een compliment. Ze mogen trots zijn op hun pionierschap, op het feit dat ze hier zitten, ook al moesten ze hun lunch nuttigen op de fiets om de trein naar Amsterdam te kunnen halen. Ik wil ze aanmoedigen, deze pioniers. Ik wil ze steunen in hun plannen.
Ik vind het heerlijk om de pionierswind te voelen waaien door onze scholen. Het houdt ons fris en scherp; de gezamenlijke blik op beter onderwijs. When the winds of change blow, some people build walls and others build windmills*. Laten we samen zorgen voor meer windmolens in onderwijsland!

*Chinees gezegde

Deze tekst is eerder verschenen als column in De Nieuwe Leraar #4.

Ook zin om te pionieren in het nieuwe jaar? Doe een aanvraag bij het LerarenOntwikkelFonds