De warme overdracht

Standaard
Image credit: Rafael Sato

Jaren gaf ik les in groep 7/8. De algemene missie van basisscholen om ‘kinderen voorbereiden op de toekomst’ wordt in groep 8 altijd een stuk concreter: ze voorbereiden op de volgende belangrijke stap in hun onderwijscarrière. Een stap naar een groter schoolgebouw waarin je kunt verdwalen (zodat het zweet je uitbreekt, want je hebt vijf minuten om van lokaal te wisselen), een nieuwe vorm van onderwijs waar je aan moet wennen (en als het geen montessori is, wel héél erg aan moet wennen), veel meer leraren voor je neus (met elk een andere gebruiksaanwijzing), alle vakgebieden los aangeboden (Waar is mijn kosmische kapstok? Ik overzie het niet meer!) en dan óók nog allemaal nieuwe kinderen die je moet peilen (want je bent wel stoer en je laat het heus niet zien, maar je hebt toch snel vrienden nodig om niet te verzuipen in de onveilige chaos die de middelbare school op het eerste gezicht lijkt).

En aan ons leerkrachten groep 8 de belangrijke en dankbare taak te zorgen voor verzachtende omstandigheden in de vorm van een goede voorbereiding. Dat betekent dat ik gedurende het laatste jaar van de basisschool steeds meer de nadruk leg op de eigen verantwoordelijkheid voor het leerproces. Dat ik een nog grotere zelfstandigheid verwacht van mijn leerlingen. Dat ik ze regelmatig voorbeelden geef uit de middelbare schoolpraktijk, zodat ze zich kunnen proberen voor te stellen hoe dat gaat zijn straks. Met nadruk op proberen. Want ik heb niet de illusie dat ik de overstap naar het VO werkelijk kan vergemakkelijken. Daar staat het kind toch eigenlijk helemaal alleen voor. Hoeveel hulp en goedbedoelde adviezen het ook krijgt, ieder kind moet uiteindelijk toch zelf beginnen aan dat grote avontuur.

Om dat avontuur toch zo goed mogelijk te laten verlopen, focus ik niet alleen op het kind, maar ook op de ontvangende school. Ja, dat onderwijskundig rapport moet natuurlijk ingevuld worden, maar dat zoveelste afvinklijstje doet bij lange na geen recht aan het kind dat zich acht jaar lang onder onze hoede heeft ontwikkeld. Daar wil ik gewoon over praten met de ontvangende school. Ik wil een warme overdracht. En dat koude rapport krijgen ze er wel bij. De overdracht is bijzonder warm als wij ook de terugkoppeling krijgen vanuit het VO: hoe gaat het met onze oud-leerlingen? Met sommige scholen is die overdracht zo goed, dat we elkaar wederzijds adviseren. Het VO heeft hulp nodig bij de aanpak van een bepaalde leerling en wij kunnen tips gebruiken voor het ‘klaarstomen’ en adviseren van onze achtstegroepers en hun ouders. Mooi, en essentieel, deze warme samenwerking. We zouden er meer tijd voor moeten maken. Een warme overdracht voor iedereen en niet slechts je zorgleerlingen. Werkelijk recht doen aan ieder kind. Zorgen voor een soepele overgang naar het ‘nieuwe leven’.

Want het is zo spannend. Het staat toch in je geheugen gegrift, de eerste schooldag. Extra vroeg opgestaan, want ook al had je gisteravond zorgvuldig je kleren uitgezocht en klaargelegd, vannacht werd je wakker met de conclusie dat dat setje toch geen goed idee is. Bovendien heb je ook de tijd nodig om je hopeloze haar goed te krijgen. Wel hopen dat het niet regent, want je gaat toch echt niet in regenpak naar school. En wat moet je eigenlijk meenemen om te eten? Is een broodtrommel nog wel acceptabel? Maar je krijgt ruzie met je pa als je gaat starten met boterhamzakjes, want dat is slecht voor het milieu. En dat vind jij ook. Want je bent net zo milieubewust als je vader en daar ben je trots op ook. Maar deze eerste schooldag is het milieu even iets minder belangrijk dan jij. Dus je stopt braaf je boterhammen in je broodtrommel, maar grist stiekem die boterhamzakjes ook mee. Voor de zekerheid. Kun je altijd nog omwisselen. Zo. Het avontuur kan beginnen!

Deze tekst is eerder als column verschenen in Montessori Magazine, jaargang 38, nummer 4

Advertenties

Windmolens bouwen

Standaard
Image credit: Jiahui Huang

Afgelopen september mocht ik de aftrap doen van het nieuwe Onderwijspioniersjaar. Ik bestudeerde de zittende pioniers vanaf de zijlijn en ze zagen er moe uit. Niet gek ook, want zeker driekwart van deze leraren had ’s morgens nog lesgegeven en zich moeten haasten om ’s middags in het inspirerende FreedomLab in Amsterdam te kunnen zijn.
Onderwijs is doorzetten. Het is hard werken. Het is soms slopend. Zelfs zo, dat je op sommige dagen, nadat je leerlingen vertrokken zijn, op je bureaustoel ploft en er helemaal niets meer uit je handen komt. Je staart wat voor je uit je weet gewoon even niet meer waar je beginnen moet. Of je eigenlijk nog wel beginnen wíl. Waarom je nog beginnen zou.
Want het is teveel. Er is teveel werk. Mijn to-do-list is te lang, mijn hoofd is te vol, mijn energietank leeg. Het is kwart over drie en ik moet nog beginnen. Zo’n dag dat lesgeven een bijzaak lijkt te zijn. Zo’n dag dat alles aankomt op de uren nádat de leerlingen naar huis zijn. Dan begint het pas: een oudergesprek voeren, vergaderen met de bouw, evalueren van mijn lessen en gemaakt werk, observaties registeren, eigen lessen en het schoolproject plannen en voorbereiden, lokaal poetsen, gang opruimen, werk ophangen, computer aan de praat zien te krijgen etc. etc. O ja, en ook werken aan mijn schooltaken en professionalisering. Nog even tussendoor. Het is niet te doen, tussen 15.00u en 17.00u. Het is eigenlijk gewoon niet te doen.
En tóch zijn er Onderwijspioniers. Leraren die ondanks de werkdruk en hun overvolle agenda iets nieuws willen oppakken, er nog iets bij gaan doen. Leraren die een droom hebben, een goed idee, een mooi beeld, en daar energie van krijgen. Gelukkig maar dat deze pioniersgeest er is, want we hebben onze dromen en idealen hard nodig om ons werk vol te houden, het licht te blijven zien en passie te blijven voelen. Deze pioniers krijgen een kans die álle leraren verdienen: budget en begeleiding, tijd en ruimte om nieuwe onderwijsideeën een kans te geven en te implementeren.
Ik geef de pioniersgroep tijdens de aftrap een compliment. Ze mogen trots zijn op hun pionierschap, op het feit dat ze hier zitten, ook al moesten ze hun lunch nuttigen op de fiets om de trein naar Amsterdam te kunnen halen. Ik wil ze aanmoedigen, deze pioniers. Ik wil ze steunen in hun plannen.
Ik vind het heerlijk om de pionierswind te voelen waaien door onze scholen. Het houdt ons fris en scherp; de gezamenlijke blik op beter onderwijs. When the winds of change blow, some people build walls and others build windmills*. Laten we samen zorgen voor meer windmolens in onderwijsland!

*Chinees gezegde

Deze tekst is eerder verschenen als column in De Nieuwe Leraar #4.

Ook zin om te pionieren in het nieuwe jaar? Doe een aanvraag bij het LerarenOntwikkelFonds

Smullen in Singapore

Standaard
Image credit: Leonid Yaitskiy

Al tijdens mijn inhoudelijke voorbereidingen voor de reis naar Singapore met de delegatie* van Sander Dekker, liep mij het water in de mond. Wat is het daar goed geregeld voor leraren, bijna onwaarschijnlijk. Mooi dat ik het zelf kon ervaren dus; eerst proeven, dan geloven!

Tijdens onze bezoeken aan een school (Temasek Polytechnic), de lerarenopleiding NIE, het bij- en nascholingsinstituut AST, een universiteit (NTU), de vakbond STU en het Ministry of Education (MOE) werd mij meteen duidelijk: ze spreken hier dezelfde onderwijstaal. En dat maakte indruk op me; de voelbaarheid, hoorbaarheid en zichtbaarheid van de gemeenschappelijke, gezamenlijke focus op goed onderwijs, en wel ‘toekomstbestendig onderwijs’, waar het ministerie zich op richt: we zijn nooit klaar.

In de hele curriculumdiscussie Onderwijs2032 is dat nu precies de uitdaging. Het onderwijsveld bij uitstek moet in beweging blijven, aangezien wij mensen helpen zich voor te bereiden op deelname aan de maatschappij. En die verandert. Dus we zijn nooit klaar. En dan ben ik blij met het rapport van de Commissie Schnabel waarin het belang van personificatie en socialisering wordt benadrukt. Want als we nooit klaar zijn, zullen we in elk geval houvast moeten zoeken in wie wij zijn, met wie wij zijn en waar wij voor staan.

En toen stond ik opeens voor de ingelijste ‘Desired Outcomes of Education’ (DOE) aan de muur van de Academy of Singapore Teachers (AST). Deze outcomes zijn leidend voor alle leraren in Singapore. Of ze nou werken in het PO, aan de universiteit of op de lerarenopleiding, dit is hun gemeenschappelijke taal. Oók dat van het ministerie. Of misschien beter gezegd: júist van het ministerie. Want alle leraren-in-opleiding en leraren zijn in directe dienst van het ministerie en in wezen uitvoerders van het beleid. (Waarover ze gelukkig ook wat te zeggen hebben, door de inrichting van de Career Tracks in Singapore.) De DOE fungeren als gemeenschappelijk onderwijsdoel, als basis voor beleid en als evaluatie-instrument: doen we nog steeds het goede in ons onderwijssysteem? Iedereen die is opgeleid door het Singaporese systeem is:

  • confident person who has a strong sense of right and wrong, is adaptable and resilient, knows himself, is discerning in judgment, thinks independently and critically, and communicates effectively;
  • self-directed learner who takes responsibility for his own learning, who questions, reflects and perseveres in the pursuit of learning;
  • an active contributor who is able to work effectively in teams, exercises initiative, takes calculated risks, is innovative and strives for excellence; and,
  • concerned citizen who is rooted to Singapore, has a strong civic consciousness, is informed, and takes an active role in bettering the lives of others around him.

MOE legt de lat hoog, maar het is wel een mooie lat. En het ministerie is zich ook bewust van de uitdagingen: bilingualism, teaching to the test, parental pressure, special needs education. Ze zijn zoals gezegd nooit klaar. Maar ze hebben wel een mooie en belangrijke visie. Ze leiden leraren op die een gemeenschappelijke taal spreken en dezelfde eed afleggen. Er is sprake van een professionele standaard, eenzelfde overkoepelende visie, een gedeeld kompas:

Singapore Teachers: Lead. Care. Inspire.

Ok, misschien is er veel voorgeschreven. Ook het curriculum is gedetailleerd beschreven. Maar het geeft ook een duidelijk houvast. En leraren ervaren genoeg ruimte in het hoe. Ze krijgen bovendien alle ruimte om daaraan te werken. Maximaal 18 lesuren per week, 100 professionaliseringsuren, alle scholing en nascholing wordt betaald door MOE. Sterker nog, je wordt al betaald als je aan de lerarenopleiding begint. Er is veel respect en zorg voor de leraar. Ze worden ook veel betrokken in het beleid doordat iedereen direct in dienst is van het ministerie. Geen bestuurslaag, wat een efficiëntie.

Dat kan natuurlijk wantrouwen opwekken hier in Nederland. Vooral bij diegenen bij wie de nekharen direct overeind gaan staan bij het horen van ‘top-down’. Maar er zijn tegelijkertijd ook vormen van bottom-up. Hoe leraren tijd krijgen om samen te werken aan het curriculum, feedback kunnen geven aan MOE wanneer het curriculum herzien wordt, zichzelf blijvend mogen professionaliseren waarbij er mooie carrièreperspectieven zijn en talent erkend en breder ingezet wordt. Een beetje sturing is niet zo erg. Het kan leiden tot een gemeenschappelijk doel, het enige doel dat voor mij geldt als het gaat om onderwijs: onderwijs maak je SAMEN. Samen optrekken, samen de dialoog blijven voeren, samen komen tot goed onderwijs en alle institutionele en/of individuele belangen loslaten en proberen te vertalen naar duidelijke rollen en verantwoordelijkheden. De uitdaging zit hem in ons fragmentarische Nederlandse onderwijssysteem en het doel om de neuzen dezelfde kant op te krijgen. En voor mij is er maar een richting mogelijk: we moeten kijken in de richting van het kind. (De toekomst van) onze kinderen, daar werken we samen toch uiteindelijk allemaal voor?

Voor mij was het smullen in Singapore. Zou ik daar leraar zijn, dan zou ik snel doorgroeien tot Senior Teacher, om junior teachers te mogen coachen en op mijn beurt van hen te leren. Ik zou vervolgens willen doorgroeien tot Lead Teacher en Master Teacher, om mijn expertise in te kunnen zetten in een breder netwerk van scholen en mijn eigen kennis te verrijken. Misschien zou ik na het geklim op deze eerste ladder, de Teaching Track, graag willen opschuiven naar de tweede, de Leadership Track en een leidinggevende positie krijgen op een school of het ministerie. Wellicht zou ik door willen schuiven naar de derde track, de Specialist Track, volledig aan de slag bij het ministerie, zodat ik mijn tanden kon zetten in curriculumbeleid. Ik zou keuzes hebben, brede groeimogelijkheden en ik zou volop gesteund worden door collega’s, leidinggevenden en het ministerie:

Teachers are the key to everything that is being done in Education. (…) different teachers have different aspirations. (MOE) 

Precies. En we willen gezien en gehoord worden!

 

*De delegatie bestond uit:
Sander Dekker, Staatssecretaris, OCW
Christianne Mattijssen, directeur VO, OCW
Rinda den Besten, voorzitter PO-raad
Paul Rosenmöller, voorzitter VO-raad
Joost Kentson, voorzitter Onderwijscoöperatie
Ingrid Brummelman, voorzitter Platform 2032
Jelmer Evers, leraar VO, genomineerde Global Teacher Prize 2015 (Blog Lessen uit Singapore)
Jasper Rijpma, leraar VO, Leraar van het Jaar 2014
Joke Lorist-Klappe, leraar SO, Leraar van het Jaar 2014
Femke Cools, leraar PO, Leraar van het Jaar 2014
Sander van Dam, woordvoerder, OCW
Hans Balfoort, Internationale relaties, OCW

 

 

Klaar voor de start!?

Standaard
Image credit: JakeandLindsay Sherbert

En daar sta je dan: vers van de PaboPers, een rugzak vol frisse ideeën, mooie idealen en goede moed…

Maar je begint natuurlijk als invalkracht. ‘s Morgens pas opgeroepen worden om een zieke te vervangen. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel mooi, om te beginnen als invaller. Want dan zie je tenslotte veel meer soorten scholen dan slechts die paar stagescholen.
Maar dan sta je ineens op een school in een achterstandswijk, waar je nog geen ervaring mee hebt. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel fijn dat ik nu gewoon veel kansen krijg om nieuwe ervaringen op te doen.
Maar je vergeet dat je een hoop bagage niet hebt, zoals kennis van NT2. En je denkt: ach, het is een groep 3 van 16 kinderen. Ik heb toch stage gelopen in een groep 3 van 25 en dat ging prima.
Maar je vergeet dat dat op een klein dorpsschooltje was. En dat wellicht gedragsproblematieken niet zo aan de orde waren daar. En je denkt: ach, ik heb toch ervaring met een groep 8 van 37 brutale pubers, dus dat zal toch wel goed komen.
En je begint vol goede moed aan je eerste invallersklus in die achterstandswijk, in groep 3, met 16 kinderen.

Maar ik fietste na de eerste dag huilend naar huis. Compleet afgepeigerd, niet wetend wat me allemaal overkwam. Gedragsproblematiek (Hij is zes, maar hij doet niet wat ik zeg!?), NT2 leesonderwijs (Ik kon toch altijd zo goed uitleggen, waarom lukt het hier na 3 keer nog niet?), werken met een zeer ervaren duo / rt’er (Ik vraag maar niet al te veel hulp, want ik was zo zeker van mijzelf in het sollicitatiegesprek en ik moet het natuurlijk wel waarmaken, bovendien wil ik gewoon een baan, dus ik ga niet zomaar zeggen dat het me niet lukt…)

Van valse start naar doorstart

Ik ben een doorzetter en probeerde het eerst zelf. Maar de dagen erop ging het niet beter en de tranen bleven komen. Wat een desillusie, wat een valse start…Na drie weken trok ik toch aan de bel: dit ging ik niet volhouden zo. De directie pakte het goed op. Ik kreeg hulp in de klas en maakte de vervangingsklus af. Het ging. Niet altijd van harte, maar het ging. En natuurlijk was het heel leerzaam. Maar ik was nog nooit eerder zó toe aan de zomervakantie.

Mijn valse start werd gelukkig volledig overschaduwd door een volgende invalklus, op een school waar ik al twee keer stage had gelopen, waar het team mij kende en waardeerde en waar het onderwijs op een manier werd ingericht waar ik ook achter stond. Een heerlijk jaar in groep 5, met fijne ouders en behulpzame collega’s om mee samen te werken. Mijn valkuil was echter nog steeds het allemaal zelf te willen doen en geen hulp te vragen. Het team was ook een grote mate van zelfstandigheid van mij gewend; ik had tenslotte mijn stageklassen ook vrijwel alleen gedraaid. Maar ja…toen had ik niet óók alle oudergesprekken, verplichte vergaderingen, scholingsmomenten, administratie, rapportages en deelname aan taakgroepen. En ik deed het allemaal maar gewoon. En het ging ook wel, maar het was wel veel. Ik had eigenlijk vrijstelling van taakuren moeten krijgen. Maar mijn enthousiasme bracht me ver. En ik werkte ‘maar’ vier dagen. Dat betekende dat ik de vijfde dag volledig kon benutten om alles bij te kunnen houden. En dan was ook het weekend lang niet altijd werkvrij. Maar ik genoot van de kinderen en ik had plezier in mijn werk.

Na de vervangingsklussen solliciteerde ik op mijn huidige baan. Daar werd ik goed begeleid door de directie en vrijgesteld van taken. Wel ging ik al na een half jaar de montessoriopleiding doen en opnieuw was het veel. Hielp ook niet dat ik een perfectionist was natuurlijk. En dat hulp vragen nog steeds niet mijn sterkste kant was. Maar ik leerde het wel. Ik heb uiteindelijk zelfs een coach gevraagd, waardoor ik enorm groeide in mijn vak en als mens. Die jaren, werkend met kleuters, geïnspireerd door mijn montessoriopleiding, en gesteund door collega’s, leidinggevenden en mijn coach, heb ik het vak pas écht geleerd.

En nu een goede start!

3 December jl. mochten de Leraren van het Jaar 2014 bij Jet Bussemaker pitchen over de ideale begeleiding van de startende leraar. Natuurlijk had ik daar zelf ideeën over, maar ik vind het als ambassadeur van het onderwijs belangrijk dat ik input vraag uit het werkveld. Dus stelde ik de vraag op Twitter. Daar kwamen veel mooie en waardevolle reacties op. Uiteindelijk gaat mijn pitch in op drie onderdelen: verlichting van de letterlijke werkdruk (urenmindering), verlichting van de beleving van de werkdruk (kennisopbouw) en samenwerking met de Pabo (overgang). Hier volgt mijn pitch.

Het belangrijkste is dat de startende leraar geniet van zijn werk. Om te zorgen dat dat werkplezier niet in gevaar komt, is het nodig dat hij geholpen wordt met de letterlijke werkdruk, de beleving van de werkdruk en de overgang van de Pabo naar de werkvloer.

Helpen met het verlichten van de letterlijke werkdruk kan in de vorm van urenverlichting in het eerste werkjaar (opbouw van werkdruk):

  • geen extra taakuren naast het begeleiden van de klas;
  • geen deelname aan vergaderingen die niet direct noodzakelijk zijn;
  • een dag per maand uitgeroosterd worden om deze te kunnen besteden aan onderwijsverdieping in de vorm van onderwijs ontwerpen of eigen professionalisering.

Helpen met de beleving van de werkdruk kan in de vorm van:

  • wekelijks contact met een ervaren, innovatieve, directe collega (die hier taakuren voor krijgt) die een luisterend oor biedt en helpt bij relativeren en prioriteren;
  • structureel contact met andere startende leraren van andere scholen onder begeleiding van een onderwijscoach, bijvoorbeeld het Starterscafé, waar ook invallers van harte welkom zijn (wanneer dit door een bestuur in samenwerking met de Pabo wordt georganiseerd, waarborg je de doorgaande lijn en waardevolle terugkoppelingen en ondervang je het buitensluiten van invallers en starters met tijdelijke contracten);
  • extra budget voor verdere professionalisering van starters waarmee hiaten in de noodzakelijke kennis direct kunnen worden opgevuld (het moet ook normaal zijn direct te kunnen aangeven waar de leerbehoefte van de starter zit, zonder dat hij het gevoel heeft er op afgerekend te worden; begeleiding los van beoordeling).

Helpen bij de overgang van de Pabo naar de werkvloer door samenwerking:

  • de Pabo komt niet alleen in de scholen, de scholen komen ook in de Pabo (leerkrachten geven daar les);
  • de Pabo hanteert een flexibelere invulling van opdrachten: de student krijgt meer mogelijkheden om ze op die manier uit te voeren zodat het past bij de stageschool en niet andersom (als starter en in het bijzonder invaller moet je ook direct flexibel kunnen werken binnen een bepaalde schoolorganisatie en – visie);
  • de Pabo geeft nazorg: een begeleider uit de Pabo volgt de startende leraar minimaal nog één jaar, waardoor de Pabo vanuit de oud-studenten directe nuttige feedback krijgt op de inrichting van de lerarenopleiding.

Ben je startende leraar? Kijk eens wat de LerarenKamer van de Onderwijscoöperatie voor je kan betekenen.

Deze tekst is ook gepubliceerd onder Lerarenblogs van de Onderwijscoöperatie.

Digiknappe digimaatjes

Standaard
image credit: Elizabeth Ann Colette

Al even vraag ik me af: wordt het niet eens tijd voor een tiende intelligentie? Naast de bekende acht en de nieuwste negende – filosofeerknap – denk ik dat het de hoogste tijd is voor digiknap.

Leerkrachten hebben vaak het gevoel dat ze door de mediawijze leerlingen ingehaald worden. En dat gevoel is terecht, want vaak is dit een feit. De mediavlugge jeugd passeert ons en het is knap. Digiknap.

Sinds ik experimenteer met sociale media in de klas, heb ik alleen maar meer bewondering gekregen voor onze digiknappe leerlingen. Het zijn de leerlingen die nieuwe ICT-mogelijkheden omarmen en er direct mee aan de slag gaan. Zonder angst, met open, enthousiaste, nieuwsgierige en onderzoekende blik. Ze pikken een tool snel op en leren door doen en durven, door experimenteren en overleggen en halen jou als leerkracht in. Bij mij in de klas is dat nu ook precies de bedoeling. Mijn leerlingen zijn elkaars en mijn digimaatjes. Ze helpen mij het zelf te doen in de digitale wereld.

Door te experimenteren samen met de leerlingen, voelen ze zich uitgedaagd (competentie). Door ze de mogelijkheid te geven dingen zelf te mogen ontdekken en uitproberen, groeit hun zelfstandigheid en verantwoordelijkheid (autonomie). En door ze hierin te vertrouwen en te benoemen dat je hun hulp en feedback nodig hebt, verstevigt de band tussen leerkracht en leerling (relatie).

Ik laat leerlingen  zien wat de basismogelijkheden zijn van een bepaalde tool. Vervolgens ontdekken ze zelf wat er nog meer kan en breidt het geleerde zich als een olievlek uit: ze leren met elkaar achter de computer/tablet/smartphone of presenteren op het digibord een nieuwe ontdekking aan de klas. Zo leer ik óók van ze en dat maakt ons samen trots! Voorbeelden:

  1. Een jongen biedt aan de privacy-instellingen van Padlet te onderzoeken, want ik heb de kennis niet snel paraat. Hij legt het klassikaal uit, zodat we veilig gebruik kunnen gaan maken van deze mooie tool.
  2. Drie meiden pakken mijn tip op dat je via Google Drive online kunt samenwerken en geven na enkele weken een ‘how-to’-presentatie aan de klas.
  3. Een meisje heeft het doel van sociale media echt begrepen en plaatst positieve tweets en complimenten aan anderen, inclusief de juf. Meerdere kinderen volgen.
  4. Nadat ik ben gaan bloggen op mijn nieuwe site breng ik Weebly onder de aandacht, waarvan ik vermoed dat dit goed bruikbaar is voor leerlingen die ook een site willen maken en/of willen bloggen. Tijd om de werking ervan geheel te onderzoeken heb ik zelf niet, maar er zijn meteen enkele jongens die enthousiast aan de slag gaan en het mij en de klas een week later kunnen vertellen.
  5. Nadat een ouder met een groepje leerlingen Scratch enkele weken heeft uitgeprobeerd, bombardeer ik ze tot Scratch-ambassadeurs: binnen no-time hebben ze de halve klas enthousiast aan de speelse basisbeginselen van programmeren.

Kinderen weten en kunnen zo ontzettend veel. Ik leer van ze, elke dag. Door ze te observeren, door in gesprek te gaan met ze, door feedback te vragen. En dus ook door middel van de inzet van sociale media. Ik zie verborgen digitalentjes: ‘tragere’ kinderen die digivlug blijken te zijn. ‘Stillere’ kinderen die zich laten zien en horen via Twitter, Padlet of met een blog. Een groepje muzikale kinderen dat zich nu als band profileert en zichtbaar wordt door inzet van sociale media. School raakt verweven met thuis. Leren gaat door. Met elkaar, met mij: samen.

Dit alles vindt wel plaats in een veilige omgeving. Voordat ik aan mijn sociale media-avontuur begon, heb ik meerdere keren uitgebreid aandacht besteed aan mediawijsheid. Want de mediavlugge jeugd is niet per definitie een mediawijze jeugd. Integendeel. Dus ruim aandacht voor positief gedrag online (THINK before you post), privacy op internet en bronvermelding. En nog steeds: aandacht voor mediawijsheid hebben we dagelijks.

Het gebruik van sociale media is niet meer weg te denken uit mijn groep. Met behulp van diverse tools leren we samen, werken we samen, delen we samen en communiceren we samen. We zijn met eenvoudige tools begonnen en zo zijn Padlet, Popplet en Twitter al volledig ingeburgerd. Maar ik wil meer proberen en er is keuze genoeg. De kunst is echter je een weg te banen door dit media-oerwoud, tools te kiezen waarvan je denkt dat ze een goed middel kunnen zijn om je onderwijsdoel te bereiken en het uit te proberen. Samen met de leerlingen. Maak ze deelgenoot van je experimenten. Verhoog de betrokkenheid. Geef ze verantwoordelijkheid. Doe dat en zie hoe je klassenklimaat vanzelf opwarmt!

Mijn blog is ook verschenen in het boek Onderwijshelden: 60 x het bewijs dat het kan.

Mijn ‘eindproduct’, gemaakt voor de aan te raden Training Excellente Leerkracht Sociale media (TELS) van Innofun, laat zien hoe je je leerlingen kunt inzetten. Een film gemaakt door mijn groep (@Groep67MN): Sociale media in de klas.