To be or not to be a teacher

Standaard
Image credit: Jennifer Sandusky

Ik ben per 1 januari 2016 tijdelijk de klas uit. Ik kreeg de kans om gedetacheerd aan het werk te gaan bij de Onderwijscoöperatie om mij volledig te kunnen storten op het goede doen voor mijn collega-leraren. Als je Leraar van het Jaar wordt, krijg je als ambassadeur de kans om het geluid van jouw onderwijswerkveld te laten horen. Ik neem die verantwoordelijkheid serieus en probeer waar ik kan mijn steentje bij te dragen met als enig doel: goed onderwijs door gelukkige leraren voor gelukkige leerlingen.

Stap in de richting van je idealen
Ik grijp kansen waar ik kan om te werken aan dat doel. Bijvoorbeeld door met politici te praten. Over wat leraren nodig hebben, over wat hen bezighoudt, over waar ze goed in zijn en wat ze moeilijk vinden. Tijdens mijn eerste lunch met Sander Dekker wees ik hem op de problematische klassengrootte in combinatie met Passend Onderwijs én zijn grote focus op meer aandacht voor excellente leerlingen. U vraagt teveel, meneer Dekker. Tijdens mijn eerste kennismaking met Jet Bussemaker pitchte ik over de noodzaak voor een betere begeleiding van starters. U zult de lerarenopleidingen er nog meer bij moeten betrekken, mevrouw Bussemaker. Tijdens de ISTP 2015 kwam ik op voor de stem van de leerling. Tijdens de ISTP 2016 remde ik het ministerie af die de neiging had voor de zoveelste keer iets nieuws te willen lanceren in ons veld terwijl we nog niet eens goed op de hoogte zijn van mooie kansen als het LerarenOntwikkelFonds en onze rol in curriculumontwikkeling. Ik heb niet de illusie dat wat ik zeg ook daadwerkelijk leidt tot grote veranderingen en verbeteringen. Maar elke stap telt. Dat vertel ik mijn leerlingen ook. Elke kleine stap in de richting van je dromen en idealen is de moeite waard.

Wat heeft de wereld van mij nodig?
Vorige week woensdag was ik bij TEDx AmsterdamEd met als thema #BornToLearn. Ik was daar onder de indruk van de talk van Roshan Paul over social innovation en changemaking. Hij vertelde mensen graag te helpen bij belangrijke levenskeuzes, onder andere op het gebied van werk. Hij stelt daarbij essentiële vragen:

Waar ben ik goed in?

Waar word ik gelukkig van?

Wat heeft de wereld van mij nodig?

Ik realiseerde mij dat mijn levensreis zich altijd heeft beperkt tot het voortdurend stellen van de eerste twee vragen. De gevonden antwoorden helpen mij bij met het maken van een keuze: Ik ga naar het Elzendaalcollege, ook al is mijn moeder daar conrector, maar ik word blij van het gebouw. Ik kies biologie in mijn vakkenpakket, ook al raadt iedereen het mij af (veel te moeilijk voor je), maar ik vind het zo’n mooi vak. Ik ga Vergelijkende Kunstwetenschappen studeren, ook al weet niemand eigenlijk wat je daar nou mee kan worden, maar kunst maakt me gelukkig. Ik ga tussendoor in Engeland studeren, ook al krijg ik heimwee, maar ik wil beter worden in Engels. Ik ga stagelopen bij de KunstRAI, ook al krijg ik het doodsbenauwd van al die hotemetoten die voorbijgaan aan kunstbeleving en focussen op de winst, maar ik wil zeker weten dat die wereld niets voor mij is. Ik ga afstuderen in kunsteducatie en schrijf mijn scriptie in het Engels, ook al hoeft dat niet en kost dat meer tijd, maar ik wil mijn Engels onderhouden. Ik ga toch maar naar de open dag van de Pabo, ook al vindt men het raar dat een WO cum laude afgestudeerde zich gaat oriënteren op lesgeven aan jonge kinderen, maar ik was nieuwsgierig. (En mijn moeder was ervan overtuigd dat het iets voor mij zou zijn, dus vooruit dan maar mam, omdat jij het bent en zegt.)

Leraar worden, zijn en blijven
Het bleek een gouden greep, leraar worden. Ik vond het zwaar de eerste jaren, maar wat een mooi en dankbaar vak. Zo betekenisvol, zo zinvol, zo zingevend. Ik fietste vrijwel elke dag fluitend naar mijn werk en fluitend weer terug. Jarenlang kon ik er al mijn eieren in kwijt: liefde voor het zien groeien en bloeien van mensen, voor samen werken aan steeds beter onderwijs, voor het geven van vakken als taal, literatuur, kunst, Engels, geschiedenis en de laatste jaren ICT en sociale media. Ik was er goed in. Ik werd er gelukkig van. Tot ik mij in december 2013 realiseerde dat ik er niet gelukkig genoeg van werd. Het lesgeven alleen bood mij te weinig uitdaging en ik besloot mijn dagen het jaar erop te halveren, zodat ik ook aan de slag kon als montessoritrainer. En toen werd ik ook nog Leraar van het Jaar…

De hybride leraar
Naast ‘Waar ben ik goed in?’ en ‘Waar word ik gelukkig van?’, kwam door het ambassadeurschap ook de vraag ‘Wat heeft de wereld van mij nodig?’ in beeld. Ik zie het als mijn missie om ons vak te promoten. Om studenten te vertellen wat voor goede studiekeuze ze hebben gemaakt. Om invallers en starters te vertellen dat ik hoop dat ze doorzetten, ook al is het zwaar in het begin, maar het is zo de moeite waard om voor het leraarschap te blijven gaan. Om leraren in twijfel (Wil ik nog wel leraar zijn?) te vertellen over mijn eigen loopbaan, mijn keuze om een hybride leraar te worden en enkele banen te combineren. Om mensen te laten stilstaan bij de vraag wat hen in hun leraarschap werkelijk gelukkig maakt of zou maken en wat daar dan voor nodig is.

Hierbij stilstaan doe ik zelf ook voortdurend. En daarbij staat in mijn huidige levensfase de vraag ‘Wat heeft de wereld van mij nodig?’ centraal. Het is een voortdurende zoektocht en ik ben daar ook nooit klaar mee. Ik geloof dat ik op dit moment in mijn leven het beste invulling kan geven aan mijn beoogde doel door er te zijn voor leraren. Dat doe ik met mijn werk bij de Onderwijscoöperatie voor het LerarenOntwikkelFonds en voor het thema curriculumontwikkeling. En dat doe ik met mijn inzet voor starters in het onderwijs, samen met andere Leraren van het Jaar uit de LerarenKamer. Om dit werk goed te doen, op een manier die mij gelukkig maakt, heb ik tijd nodig. Tijd die ik nu krijg door een groot offer te maken: ik geef even geen les en ik mis mijn kinderen. Heeft de wereld het dan niet méér van mij nodig dat ik blijf lesgeven? Kan ik niet het beste dát blijven doen waar ik goed in ben en zo een maximale bijdrage leveren? Misschien wel. En misschien lever ik nu juist mijn maximale wereldbijdrage omdat ik mij inzet voor het geluk en werkplezier van vele leraren. En die leraren samen bereiken met zijn allen nog veel meer kinderen dan ik alleen.

Advertenties

Klaar voor de start!?

Standaard
Image credit: JakeandLindsay Sherbert

En daar sta je dan: vers van de PaboPers, een rugzak vol frisse ideeën, mooie idealen en goede moed…

Maar je begint natuurlijk als invalkracht. ‘s Morgens pas opgeroepen worden om een zieke te vervangen. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel mooi, om te beginnen als invaller. Want dan zie je tenslotte veel meer soorten scholen dan slechts die paar stagescholen.
Maar dan sta je ineens op een school in een achterstandswijk, waar je nog geen ervaring mee hebt. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel fijn dat ik nu gewoon veel kansen krijg om nieuwe ervaringen op te doen.
Maar je vergeet dat je een hoop bagage niet hebt, zoals kennis van NT2. En je denkt: ach, het is een groep 3 van 16 kinderen. Ik heb toch stage gelopen in een groep 3 van 25 en dat ging prima.
Maar je vergeet dat dat op een klein dorpsschooltje was. En dat wellicht gedragsproblematieken niet zo aan de orde waren daar. En je denkt: ach, ik heb toch ervaring met een groep 8 van 37 brutale pubers, dus dat zal toch wel goed komen.
En je begint vol goede moed aan je eerste invallersklus in die achterstandswijk, in groep 3, met 16 kinderen.

Maar ik fietste na de eerste dag huilend naar huis. Compleet afgepeigerd, niet wetend wat me allemaal overkwam. Gedragsproblematiek (Hij is zes, maar hij doet niet wat ik zeg!?), NT2 leesonderwijs (Ik kon toch altijd zo goed uitleggen, waarom lukt het hier na 3 keer nog niet?), werken met een zeer ervaren duo / rt’er (Ik vraag maar niet al te veel hulp, want ik was zo zeker van mijzelf in het sollicitatiegesprek en ik moet het natuurlijk wel waarmaken, bovendien wil ik gewoon een baan, dus ik ga niet zomaar zeggen dat het me niet lukt…)

Van valse start naar doorstart

Ik ben een doorzetter en probeerde het eerst zelf. Maar de dagen erop ging het niet beter en de tranen bleven komen. Wat een desillusie, wat een valse start…Na drie weken trok ik toch aan de bel: dit ging ik niet volhouden zo. De directie pakte het goed op. Ik kreeg hulp in de klas en maakte de vervangingsklus af. Het ging. Niet altijd van harte, maar het ging. En natuurlijk was het heel leerzaam. Maar ik was nog nooit eerder zó toe aan de zomervakantie.

Mijn valse start werd gelukkig volledig overschaduwd door een volgende invalklus, op een school waar ik al twee keer stage had gelopen, waar het team mij kende en waardeerde en waar het onderwijs op een manier werd ingericht waar ik ook achter stond. Een heerlijk jaar in groep 5, met fijne ouders en behulpzame collega’s om mee samen te werken. Mijn valkuil was echter nog steeds het allemaal zelf te willen doen en geen hulp te vragen. Het team was ook een grote mate van zelfstandigheid van mij gewend; ik had tenslotte mijn stageklassen ook vrijwel alleen gedraaid. Maar ja…toen had ik niet óók alle oudergesprekken, verplichte vergaderingen, scholingsmomenten, administratie, rapportages en deelname aan taakgroepen. En ik deed het allemaal maar gewoon. En het ging ook wel, maar het was wel veel. Ik had eigenlijk vrijstelling van taakuren moeten krijgen. Maar mijn enthousiasme bracht me ver. En ik werkte ‘maar’ vier dagen. Dat betekende dat ik de vijfde dag volledig kon benutten om alles bij te kunnen houden. En dan was ook het weekend lang niet altijd werkvrij. Maar ik genoot van de kinderen en ik had plezier in mijn werk.

Na de vervangingsklussen solliciteerde ik op mijn huidige baan. Daar werd ik goed begeleid door de directie en vrijgesteld van taken. Wel ging ik al na een half jaar de montessoriopleiding doen en opnieuw was het veel. Hielp ook niet dat ik een perfectionist was natuurlijk. En dat hulp vragen nog steeds niet mijn sterkste kant was. Maar ik leerde het wel. Ik heb uiteindelijk zelfs een coach gevraagd, waardoor ik enorm groeide in mijn vak en als mens. Die jaren, werkend met kleuters, geïnspireerd door mijn montessoriopleiding, en gesteund door collega’s, leidinggevenden en mijn coach, heb ik het vak pas écht geleerd.

En nu een goede start!

3 December jl. mochten de Leraren van het Jaar 2014 bij Jet Bussemaker pitchen over de ideale begeleiding van de startende leraar. Natuurlijk had ik daar zelf ideeën over, maar ik vind het als ambassadeur van het onderwijs belangrijk dat ik input vraag uit het werkveld. Dus stelde ik de vraag op Twitter. Daar kwamen veel mooie en waardevolle reacties op. Uiteindelijk gaat mijn pitch in op drie onderdelen: verlichting van de letterlijke werkdruk (urenmindering), verlichting van de beleving van de werkdruk (kennisopbouw) en samenwerking met de Pabo (overgang). Hier volgt mijn pitch.

Het belangrijkste is dat de startende leraar geniet van zijn werk. Om te zorgen dat dat werkplezier niet in gevaar komt, is het nodig dat hij geholpen wordt met de letterlijke werkdruk, de beleving van de werkdruk en de overgang van de Pabo naar de werkvloer.

Helpen met het verlichten van de letterlijke werkdruk kan in de vorm van urenverlichting in het eerste werkjaar (opbouw van werkdruk):

  • geen extra taakuren naast het begeleiden van de klas;
  • geen deelname aan vergaderingen die niet direct noodzakelijk zijn;
  • een dag per maand uitgeroosterd worden om deze te kunnen besteden aan onderwijsverdieping in de vorm van onderwijs ontwerpen of eigen professionalisering.

Helpen met de beleving van de werkdruk kan in de vorm van:

  • wekelijks contact met een ervaren, innovatieve, directe collega (die hier taakuren voor krijgt) die een luisterend oor biedt en helpt bij relativeren en prioriteren;
  • structureel contact met andere startende leraren van andere scholen onder begeleiding van een onderwijscoach, bijvoorbeeld het Starterscafé, waar ook invallers van harte welkom zijn (wanneer dit door een bestuur in samenwerking met de Pabo wordt georganiseerd, waarborg je de doorgaande lijn en waardevolle terugkoppelingen en ondervang je het buitensluiten van invallers en starters met tijdelijke contracten);
  • extra budget voor verdere professionalisering van starters waarmee hiaten in de noodzakelijke kennis direct kunnen worden opgevuld (het moet ook normaal zijn direct te kunnen aangeven waar de leerbehoefte van de starter zit, zonder dat hij het gevoel heeft er op afgerekend te worden; begeleiding los van beoordeling).

Helpen bij de overgang van de Pabo naar de werkvloer door samenwerking:

  • de Pabo komt niet alleen in de scholen, de scholen komen ook in de Pabo (leerkrachten geven daar les);
  • de Pabo hanteert een flexibelere invulling van opdrachten: de student krijgt meer mogelijkheden om ze op die manier uit te voeren zodat het past bij de stageschool en niet andersom (als starter en in het bijzonder invaller moet je ook direct flexibel kunnen werken binnen een bepaalde schoolorganisatie en – visie);
  • de Pabo geeft nazorg: een begeleider uit de Pabo volgt de startende leraar minimaal nog één jaar, waardoor de Pabo vanuit de oud-studenten directe nuttige feedback krijgt op de inrichting van de lerarenopleiding.

Ben je startende leraar? Kijk eens wat de LerarenKamer van de Onderwijscoöperatie voor je kan betekenen.

Deze tekst is ook gepubliceerd onder Lerarenblogs van de Onderwijscoöperatie.

De leerkracht als onderhandelaar

Standaard
Image credit: Aidan Jones

“Montessori onderwijs is onderhandelen, we onderhandelen de hele dag door.”

aldus een leerkracht die geciteerd wordt in het boek En nú: Montessori! van Hendriksen en Pelgrom (2013). En zo is het maar net.

Of misschien toch niet? Menig docent zal het in twijfel trekken. Hoezo, onderhandelen? Ik ben toch zeker zélf de baas in mijn klas? Ik bepaal toch zeker zélf wat er gebeurt, wat er hier geleerd wordt en hoe mijn leerlingen dat moeten doen? Begrijpelijke gedachten, met een kern van waarheid. Want ja, we zijn tenslotte officieel eindverantwoordelijk, we zullen de regie in handen moeten houden en toch moeten voorkomen dat leerlingen een loopje met ons nemen…

Maar leerlingen nemen niet zomaar een loopje met je. Misschien doen ze dat juist wel éérder als je een autoritaire en allesbepalende aanpak hebt. Waarschijnlijk doen ze het óók als je de andere kant uit slaat en een laissez-faire benadering hebt. De sleutel van goed onderwijs ligt natuurlijk in het midden: democratisch onderwijzen, in vrijheid in gebondenheid. Neem de onderwijsbehoeften en feedback van je leerlingen serieus en geef ze een stem. Neem jezelf en jouw onderwijsdoelen en – behoeften serieus en deel ze met je leerlingen. Creëer een open en eerlijke sfeer, waarin het aangeven van behoeften en grenzen normaal is. Bepaal samen wat er nodig is in de klas om tot zinvol leren te komen en laat ook kinderen elkaar aanspreken wanneer het leerproces verstoord wordt.

Hendriksen en Pelgrom spreken over het belang van gehoorzaamheid:

“In de montessoristijl is gehoorzamen in de eerste betekenis erg belangrijk, luisteren naar jezelf, luisteren naar je eigen ontwikkelingskracht.”

Dat geldt voor zowel de leerkracht als het kind. Alleen, voordat je kunt luisteren naar je eigen ontwikkelingskracht, moet je die kracht wél vinden, zien, kunnen en durven inzetten. En dat vinden kinderen – en ook volwassenen – niet altijd eenvoudig. Ze kunnen vaak direct en feilloos aangeven waar ze niet goed in zijn, maar moeten veel langer nadenken over waar ze dan wél goed in zijn. En dat dan ook nog eens hardop benoemen, is nog een volgende stap. Terwijl het zo belangrijk is. Want je talenten kennen en deze durven benoemen, is een voorwaarde voor persoonlijke groei. Het stimuleert je zelfvertrouwen en je durf om nieuwe uitdagingen aan te gaan en vormt jouw stevige basis waarop je terug kunt vallen als het even niet zo meezit.

En wat is hier onze taak als leerkracht dan? Een lichtstraal geven, zou Maria Montessori zeggen. En in dit geval zou ik zeggen: jouw licht laten schijnen op de talenten van de kinderen. Zodat ze zichzelf goed zien, in volledigheid zien en trots kunnen zijn. Dan komt dat zelfvertrouwen vanzelf. Dan komt de ontwikkelingskracht boven drijven. Dan worden ook onderwijsbehoeften helder en eigen en kunnen kinderen eigenaar worden van hun eigen leerproces.

En dat onderhandelen dan? Dat is de vrijheid in gebondenheid. Want zelfs al leren kinderen goed hun ontwikkelingskracht (her)kennen en hun ontwikkelingsbehoeften benoemen, ze zullen altijd een duidelijk onderwijskader nodig hebben dat verduidelijkt waarom leerstof in een bepaalde periode toch doorlopen moet worden (het geheel). Je zult dagelijks onderwijsdoelen moeten benoemen, waardoor benodigde kennis voor leerlingen een logische plek krijgt (de delen). En dus onderhandel je. Je gaat in gesprek. Je luistert naar het kind. En je zult zien: dan luistert het kind ook écht naar jou.