Goed, beter, best?

Standaard
Image credit: Keoni Cabral

Toen de Onderwijscoöperatie mij belde om te vertellen dat ik genomineerd was voor Leraar van het Jaar, was ik verrast. En met mij vele anderen. Gelukkig niet zozeer omdat ik het nomineren niet waard zou zijn, maar omdat maar weinig leraren weten van het bestaan van de verkiezing. En dat is toch wel zonde, want het is een mooi initiatief. Menig interviewer stelde ons* de afgelopen tijd echter de vraag: “Hoe is dat nou om de beste leraar van Nederland te zijn?”. Tja, dan heb je niet begrepen waar de verkiezing om draait. Ons antwoord is dan ook steevast: “Ik ben niet de beste leraar.”

Het zou wat zijn als dat wél de intentie zou zijn van de verkiezing. Als er gestemd kon worden door iedereen in plaats van een zorgvuldig aangestelde vakjury. Als het ging om de meeste hits op een Facebookpagina. Dan had ik vriendelijk bedankt. Dan zit ik als leraar middenin allerlei rankings. Rankings waar ik nu juist zo tegen ben, omdat deze veelal voorbij gaan aan de werkelijke onderwijsinhoud en de betekenisvolle interactie tussen leraar en leerling. Het is bovendien onmogelijk om te bepalen wie de beste zou zijn, niet in de laatste plaats omdat er maar een klein deel van onze beroepsgroep überhaupt door ouders, collega’s of leerlingen genomineerd wordt. Daarnaast impliceert het label ‘de beste’ dat het leraarschap objectief gemeten kan worden waardoor er een automatische Cito-score uit rolt van 550. Maar ons vak is bij uitstek niet te meten op die manier. Het draait niet alleen om opbrengsten en af te vinken competenties. Het draait om het bewuste, vakkundige, verantwoord handelen, vanuit mijn eigen persoon en mens-zijn en in relatie met mijn leerlingen uit wie ik het mooiste naar boven probeer te halen.

Waar draait het dan wél om bij de verkiezing tot Leraar van het Jaar? Het draait om een goede leraar. Een leraar die een inspiratiebron kan zijn voor anderen. Maar ook een leraar die zich juist láát inspireren door anderen. Want na je verkiezing ben je wel een jaar lang ambassadeur voor het onderwijs, die de taak krijgt toebedeeld om namens onze beroepsgroep onze stem te laten horen. Die luistert naar de zorgen en deze deelt met de politiek. Die zich laat inspireren en goede ideeën verder helpt te verspreiden. En die zelf ook een stem heeft die zij mag, wil en durft te laten klinken.

De verkiezing draagt ook bij aan de aandacht die onze beroepsgroep verdient. Leraren werken hard. We hebben een prachtbaan, maar blijft een enorme uitdaging, elke dag weer. En om ons vak met passie uit te blijven voeren, kunnen we af en toe wel een steun in de rug gebruiken. Maar we hebben ook een eigen verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid om ons te laten horen als we vinden dat het anders moet. De verantwoordelijkheid om goede argumenten te kunnen aandragen voor dat wat dan anders zou moeten. En daarmee dus ook de verantwoordelijkheid om onze kennis op peil te houden en die mening gegrond te kunnen verkondigen. En dan mogen we best vaker onze stem laten horen, bescheiden mensen als leraren zijn.

Hoe klinkt mijn stem dan? Ik roep: ga voor passie en professionaliteit! Want ook al gaat het bij de verkiezing niet om de beste leraar, het gaat wel om goede leraren. Professionals met passie. Want ik geloof dat passie voor je vak onmisbaar is bij het worden van een betere professional. Van goed naar beter. Niet naar best. Want dan zou ik klaar zijn. En dat ben ik gelukkig nooit…

* Tevens Leraren van het Jaar 2014: Joke Lorist (SO), Marloes van der Meer (MBO) en Jasper Rijpma (VO).

Deze column is eerder gepubliceerd in tijdschrift De Nieuwe Leraar, #2, 2014-2015.

Gezocht en gevonden: mezelf!

Standaard
Image credit: Andrea Schaffer

Het is alweer ruim tien jaar geleden dat ik besloot dat het allemaal even anders moest. Twee studies achter de rug, veel te hard gewerkt, relatie op de klippen. Ik wilde alleen nog maar weg van het leven dat ik leidde. Toen ik aankondigde dat ik in mijn eentje naar Nieuw-Zeeland zou gaan om daar drie maanden te verblijven, waren de reacties verschillend. Van volledig begrip naar uiterste verbazing, van jaloezie naar spot: waarom moet je helemaal naar het andere eind van de wereld om naar jezelf op zoek te gaan?

Naar mezelf op zoek gaan? Dat was ik niet van plan. Ik wist niet eens wat er te vinden zou zijn. Ik wist wel dat ik mijzelf een béétje kwijt was. Voor zover je dat eigenlijk kunt weten. Want ben je niet altijd wie je bent? Er is toch maar één ik? Maar het liep niet in mijn leven. Het gevoel geleefd te worden in plaats van zelf de keuzes te maken die voor mij werkelijk van belang waren. En als ik daarvan af wilde, wist ik in elk geval één ding: ik wil afstand van mijn dagelijkse leven, ik wil even geen contact, ik wil rust. En dat vond ik in Nieuw-Zeeland. Ik wist niet wat ik zocht, maar ik vond er van alles. En die maanden werden de start van een enorme groei die ik de afgelopen tien jaar heb doorgemaakt en waar ik enorm dankbaar voor ben.

Afgelopen schooljaar ben ik ook als onderwijsmens weer flink gegroeid, met name in zelfvertrouwen. Als Leraar van het Jaar word je namelijk toch weer een beetje geleefd en continu gevraagd voor mooie uitdagingen. Je wordt geacht voortdurend je mening te verwoorden, actie te ondernemen, jezelf te laten zien, de stem van de beroepsgroep te laten horen en tegengas te geven. In de herfst was ik nog zoekende in hoe ik dat wilde vormgeven, of ik het kon, wat ik allemaal durfde. Nu, aan het einde van de lente, sta ik volop in bloei: wat een prachtkans heb ik gekregen. Een kans die ik met beide handen heb gepakt en aangegrepen om mezelf weer verder te ontwikkelen. Het resultaat is een rotsvast vertrouwen in mezelf en dat betekent dat ik ontzettend gelukkig ben.

Alsof ik het toch nog even allemaal wilde bewijzen aan mezelf, heb ik onvoorbereid op het podium gestaan van Inspiration Shot. Onvoorbereid. Absoluut niet des Femkes. Maar het was heerlijk.

Inspiratie gezocht!

Standaard
Image credit: Delaina Haslam

Ik heb even geen inspiratie. Soms heb ik dat. Dan ben ik zo ontzettend druk, dat er even helemaal niets meer komt. Dan kan ik eigenlijk alleen nog maar voor me uit staren en afwachten. Of toch iets doen, zoals een rondje wandelen. Buitenlucht doet wonderen. Een cliché, maar die zijn vaak waar.

Even stilstaan en staren is eigenlijk heel erg goed voor mij. Want momenteel is daar weinig ruimte voor. Ik was al leerkracht en ICT-coördinator op Montessori Nijmegen, en werk daarnaast als montessorispecialist en trainer bij AVE.IK. Toen werd ik Leraar van het Jaar en stond mijn banenteller op drie. Vier eigenlijk, want ik schrijf ook voor magazines en mijzelf. Nee, vijf! Want ik ben in de eerste plaats moeder van twee zoons van 3 en 5, en ook het moederschap telt mee als baan.

Mensen vinden het soms moeilijk om te begrijpen hoe ik dit allemaal volhoud. En er zijn momenten dat ik mijzelf dat ook afvraag. Momenten waarop ik geen inspiratie heb en alleen maar kan staren. Maar op de momenten dat ik druk in de weer ben met al die banen, gaat het als vanzelf. Door uitdagende dingen te doen, houd ik mijn focus. Door prachtige ontmoetingen en gesprekken te hebben, raak ik geïnspireerd. Door dagelijks met onderwijs bezig te zijn, voel ik mijn passie. En als je gepassioneerd bent, heb je energie voor tien. Energie dus, voor vijf banen.

Mijn meest bijzondere baan is momenteel het ambassadeurschap voor het PO. Als Leraar van het Jaar heb ik de prachtige kans om de stem van onze beroepsgroep te laten horen, onder andere bij het Ministerie van OC&W. Dat betekent bijvoorbeeld dat ik mag pitchen voor Jet Bussemaker over de ideale begeleiding van de startende leraar en dat ik Sander Dekker aan de tand mag voelen over zijn stokpaardje #onderwijs2032. Het betekent ook dat ik op conferenties waar vaak OVER leraren en ons vak gesproken wordt, ik de microfoon pak om als leraar toch vooral even te zorgen voor de nodige reality-check. Hoezo heb jij 34 kinderen in de groep? De gemiddelde groepsgrootte in Nederland is toch maar 25? Hoezo hebben jullie geen RT’er in huis? Dat moet toch zeker standaard zo zijn in verband met Passender Onderwijs?

Er is veel onwetendheid bij mensen die dagelijks over onderwijs praten. Omdat ze – hoe betrokken ze ook zijn en hoe goed bedoeld de plannen ook zijn – toch nooit in de klas hebben gestaan. De werkelijke en essentiële ervaring missen van ons prachtvak. En dan zie ik het als mijn taak om te benadrukken dat we ons onderwijs alleen maar mooier en beter kunnen maken als we meer ruimte krijgen. Ruimte voor onszelf. Om ons op te laden. Om te spreken met elkaar. Om de permanente onderwijsdialoog te kunnen voeren. Om onszelf te kunnen scholen en scherp te houden. Om onze passie te blijven voelen.

Zo. Inspiratie gevonden! Ben ik toch nog geïnspireerd geraakt. Hopelijk jullie ook. Ik heb in ieder geval mijzelf geïnspireerd. En dát kunnen, is het belangrijkste.

Deze tekst is eerder als column verschenen in Montessori Magazine, 38-3

Mijn internationale schoolreis

Standaard
Moraine Lake, image credit: Norio Nakayama

Het begint nu toch wel erg te kriebelen: voor het eerst in mijn leven staat er een ‘zakenreis’ op het programma. En niet zomaar een: een onderwijsreis naar Banff, Canada, eind deze maand. Nooit gedacht dat ik die mooie plaats in de prachtige Rocky Mountains voor mijn werk zou bezoeken. Het zat eerder in de planning om er met mijn man (en kinderen) naar terug te keren, aangezien ik er in 2008 getrouwd ben. Toen stond Canada in het teken van liefde en prachtige bergwandelingen. Nu staat de reis in het teken van liefde voor het vak en mooie schoolbezoeken.

TALIS en ISTP

Banff is de locatie van het 3e ISTP: International Summit on the Teaching Profession. Het is een onderwijstop  georganiseerd door CMECTLPOECD en EI, voor o.a. politici, bestuurders en schoolleiders. Men stelt onderwijsthema’s aan de orde die onder andere worden vastgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van het TALIS-onderzoek. TALIS, dat staat voor Teaching and Learning International Survey, is een grootschalig OECD-onderzoek onder leraren en schoolleiders van ‘middle schools’ (onderbouw VO) in 34 landen, waaronder Nederland.
Aan TALIS 2013 hebben ongeveer 2000 leraren en schoolleiders in Nederland deelgenomen. Het onderzoek vroeg o.a. naar hun professionele ontwikkeling, feedback en beoordeling, hun begeleiding en zeggenschap binnen de organisatie, en de status van het lerarenberoep. Thema’s die ook in de Lerarenagenda aan bod komen.

Professionalisering

Een van de uitkomsten van TALIS is dat Nederlandse leraren minder intensief samenwerken dan hun buitenlandse collega’s en dat ze minder vaak langdurige scholing volgen. Voor het Ministerie van OC&W zijn zulke uitkomsten belangrijk om te kijken waar hun beleid zich op moet gaan richten. Het ministerie benadrukt gelukkig vooral te willen faciliteren en dat de versterking van de beroepsgroep moet komen uit initiatieven van de leraren zelf, want De leraar maakt het verschil, aldus Bussemaker en Dekker. In 2018 is de volgende ronde van TALIS. Daarna kan geconstateerd worden of er vooruitgang te zien is en of de beroepsgroep als geheel laat zien zich sterker te profileren als ‘lerende professional’.

Als ambassadeur ga ik voor Passie & Professionaliteit en probeer ik mijn collega’s te inspireren om leiding te geven aan hun eigen professionele ontwikkeling, wat er voor zorgt dat je passie blijft voelen voor het vak. Ik ben dan ook blij dat de focus van de TALIS-conferentie van aanstaande woensdag 11 maart, ligt bij professionalisering van de leraar, waarbij ik dan speciaal geïnteresseerd ben in het leren van elkaar en het samen inhoud geven aan het onderwijs. De breakout sessions die ik ga volgen zijn dan ook: Problems and possibilities for teacher learning in schools, Teacher Leadership en Professional development and collaborative learning of teachers and school leaders.

Gevulde backpack

Na de TALIS-conferentie hoop ik met een backpack aan kennis en inspiratie huiswaarts te keren om me verder te gaan voorbereiden op onze internationale schoolreis naar Canada, een bijzondere reis die ik mag gaan maken met mijn zeer gewaardeerde collega-Leraren van het Jaar, Joke Lorist-KlappeMarloes van der Meer en Jasper Rijpma.
Het is prachtig, zo’n internationale top over het onderwijs. Want ik denk dat in deze wereld, die kwetsbaarder is dan ooit, een goede internationale uitwisseling en samenwerking onontbeerlijk is. En ik ben trots op ons ministerie, dat als een van de weinigen, wellicht het enige, heeft besloten om ook daadwerkelijk leraren mee te nemen naar de top. Zodat er niet voor de zoveelste keer OVER het vak en OVER de leraar wordt gepraat, maar ook MET. Ik vind het dan ook belangrijk om me goed in te lezen en voor te bereiden, zodat ik wat te brengen heb, naast dat ik ‘ga halen’.

De gekozen thema’s voor dit jaar spreken mij erg aan: leadership, recognition and efficacy en innovation strategies. Om te zorgen dat ik mijn visie op de thema’s ook kan delen, ben ik enkele van mijn eerder gepubliceerde blogs aan het vertalen, waarvan de eerste online staat, die valt onder innovation in het kader van de inzet van ICT en sociale media in het onderwijs: Digismart students help you to help yourself! Ook zal ik in Canada wijzen op een blog met een voorbeeld van ‘good practice’ over vakintegratie en cosmic education en de blog Montessori and social media: challenges and treasures for a new age of learning. In het kader van de andere twee thema’s wil ik de blogs Oproep aan de gelukkige leider en Teacher: show yourself! nog vertalen. In deze laatste blog verwijs ik naar het Lerarenregister, dat ik graag in Canada onder de aandacht wil brengen in het kader van professionalisering en het versterken van onze beroepsgroep.

The beautiful risk

Ik probeer me goed voor te bereiden. Dat betekent ook mijn Engels weer even scherpstellen. Het vertalen van mijn blogs helpt daarbij, al blijft het soms enorm zoeken naar de juiste vertalingen van specifieke onderwijstermen. Het helpt dan natuurlijk om in het Engels over onderwijs te lezen. Momenteel lees ik The beautiful risk of education van Gert Biesta, een boek dat ik ook in mijn backpack stop om te showen in Canada. Want als er iets essentieel is voor mijn eigen professionele ontwikkeling en de weg naar het vormen van een sterkere beroepsgroep, dan is het wel de erkenning dat goed onderwijs alleen mogelijk is als we samen risico’s durven nemen. Risico’s die leiden tot waardevolle ervaringen, waarop we reflecteren, zodat we leren en blijven leren en rechtdoen aan de mogelijkheden van onze leerlingen en die van onszelf.

“The most important attitude that can be formed is that of desire to go on learning.”

“If we teach today’s students as we taught yesterday’s, we rob them of tomorrow.”

“Education is not preparation for life; education is life itself.”

Citaten van John Dewey, bron Goodreads.

 

Deze tekst is ook gepubliceerd onder Lerarenblogs van de Onderwijscoöperatie.

Storm in de klas

Standaard
Image credit: maxime raynal

Je hebt zo van die dagen. Storm op komst, zeggen we dan. Een ochtend met wiebeligheid, kriegeligheid, irritaties en akkefietjes. En dan krijg je je groep terug na de middagpauze: de stapelwolken van de ochtend, zijn op het plein donderwolken geworden, met bliksem en regen terug in de klas…

Ik loop naar binnen en zie het al: gebarende kinderen, schreeuwende monden, hevige snikken, troostende armen en boze blikken: storm in de klas. En daar sta je dan. Handen vol klappers, nakijkwerk en kopieën, want je had natuurlijk een middag vol mooie activiteiten gepland. Maar je voelt de vijandige energie. Kinderen staan tegenover elkaar. Ze zijn intensief bezig met elkaar en zien jou niet binnen komen. Sterker nog, ze reageren niet eens op het stiltesignaal.

Dan weet ik genoeg. Mijn voorbereide les heeft nu geen zin. Hun hoofden zitten vol en hun oren dus dicht. En zonder aandachtig publiek, heeft mijn optreden weinig zin. Dus ik besluit: we nemen een emotie-time-out.

‘Jongens, luister. Iedereen gaat rustig naar zijn eigen plaats. Over een half uur pakken we het samen op, maar nu lukt dat niet. Kinderen die zich boos voelen, nemen de tijd om rustig te worden. Ga dan bij jezelf na: waarom ben ik zo boos? Wat had ik anders kunnen doen of hoe had ik anders kunnen reageren? Kinderen die verdrietig zijn, laten hun tranen even lopen. Dat is goed en het zal opluchten. Let op je diepe ademhaling en word rustig. Bedenk dan: waarom ben ik zo verdrietig? Wat zal mij dadelijk helpen om me weer fijner te voelen? Kinderen die getuige zijn geweest van het conflict: wat was jouw rol? Had je hulp kunnen halen? Had je zelf kunnen helpen? Kinderen die geen idee hebben waarover dit gaat; pak lekker een boek en duik even weg. We zijn nu allemaal stil en om half twee gaan we in de kring om het te bespreken.’

Het werkt. De rust keert terug. Het snikken wordt zachter. De gefronste wenkbrauwen verdwijnen. Er wordt dieper adem gehaald, de spanning verdwijnt en het is stil. Een half uur later schuift iedereen in de kring. We beginnen met een vraagrondje. Meedoen is niet verplicht. Iedereen maakt de volgende zin af: Ik voelde mij verdrietig / boos, omdat… Het delen van de emotie lucht op. We doen dit zonder oordeel naar de ander, omdat we allemaal het recht hebben ons te voelen zoals we ons voelen. Doordat we goed luisteren naar de eerlijke boodschap van de ander, ontstaat er begrip voor de ander en treedt (de oorzaak van) het conflict naar de achtergrond. Er wordt zelfs door enkele kinderen toegegeven dat ze eigenlijk niet eens meer weten wat er nou precies aan de hand was of waarom ze nou precies boos waren op elkaar. Dit wekt gegrinnik op; we realiseren ons hoe belachelijk groot we kleine onbelangrijke dingen kunnen maken, hoe weinig we daarmee opschieten, hoe nutteloos het is om te blijven hangen in boosheid. Samen ontspannen zijn is veel fijner. Dus sluiten we af met een kringspel, waarbij we elkaars maffe kreten en gekke bewegingen imiteren. Er wordt flink gelachen. En de zon breekt weer door.

Deze tekst is eerder gepubliceerd in tijdschrift De Nieuwe Leraar, januari 2015.

Klaar voor de start!?

Standaard
Image credit: JakeandLindsay Sherbert

En daar sta je dan: vers van de PaboPers, een rugzak vol frisse ideeën, mooie idealen en goede moed…

Maar je begint natuurlijk als invalkracht. ‘s Morgens pas opgeroepen worden om een zieke te vervangen. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel mooi, om te beginnen als invaller. Want dan zie je tenslotte veel meer soorten scholen dan slechts die paar stagescholen.
Maar dan sta je ineens op een school in een achterstandswijk, waar je nog geen ervaring mee hebt. En je denkt: ach, het is toch eigenlijk wel fijn dat ik nu gewoon veel kansen krijg om nieuwe ervaringen op te doen.
Maar je vergeet dat je een hoop bagage niet hebt, zoals kennis van NT2. En je denkt: ach, het is een groep 3 van 16 kinderen. Ik heb toch stage gelopen in een groep 3 van 25 en dat ging prima.
Maar je vergeet dat dat op een klein dorpsschooltje was. En dat wellicht gedragsproblematieken niet zo aan de orde waren daar. En je denkt: ach, ik heb toch ervaring met een groep 8 van 37 brutale pubers, dus dat zal toch wel goed komen.
En je begint vol goede moed aan je eerste invallersklus in die achterstandswijk, in groep 3, met 16 kinderen.

Maar ik fietste na de eerste dag huilend naar huis. Compleet afgepeigerd, niet wetend wat me allemaal overkwam. Gedragsproblematiek (Hij is zes, maar hij doet niet wat ik zeg!?), NT2 leesonderwijs (Ik kon toch altijd zo goed uitleggen, waarom lukt het hier na 3 keer nog niet?), werken met een zeer ervaren duo / rt’er (Ik vraag maar niet al te veel hulp, want ik was zo zeker van mijzelf in het sollicitatiegesprek en ik moet het natuurlijk wel waarmaken, bovendien wil ik gewoon een baan, dus ik ga niet zomaar zeggen dat het me niet lukt…)

Van valse start naar doorstart

Ik ben een doorzetter en probeerde het eerst zelf. Maar de dagen erop ging het niet beter en de tranen bleven komen. Wat een desillusie, wat een valse start…Na drie weken trok ik toch aan de bel: dit ging ik niet volhouden zo. De directie pakte het goed op. Ik kreeg hulp in de klas en maakte de vervangingsklus af. Het ging. Niet altijd van harte, maar het ging. En natuurlijk was het heel leerzaam. Maar ik was nog nooit eerder zó toe aan de zomervakantie.

Mijn valse start werd gelukkig volledig overschaduwd door een volgende invalklus, op een school waar ik al twee keer stage had gelopen, waar het team mij kende en waardeerde en waar het onderwijs op een manier werd ingericht waar ik ook achter stond. Een heerlijk jaar in groep 5, met fijne ouders en behulpzame collega’s om mee samen te werken. Mijn valkuil was echter nog steeds het allemaal zelf te willen doen en geen hulp te vragen. Het team was ook een grote mate van zelfstandigheid van mij gewend; ik had tenslotte mijn stageklassen ook vrijwel alleen gedraaid. Maar ja…toen had ik niet óók alle oudergesprekken, verplichte vergaderingen, scholingsmomenten, administratie, rapportages en deelname aan taakgroepen. En ik deed het allemaal maar gewoon. En het ging ook wel, maar het was wel veel. Ik had eigenlijk vrijstelling van taakuren moeten krijgen. Maar mijn enthousiasme bracht me ver. En ik werkte ‘maar’ vier dagen. Dat betekende dat ik de vijfde dag volledig kon benutten om alles bij te kunnen houden. En dan was ook het weekend lang niet altijd werkvrij. Maar ik genoot van de kinderen en ik had plezier in mijn werk.

Na de vervangingsklussen solliciteerde ik op mijn huidige baan. Daar werd ik goed begeleid door de directie en vrijgesteld van taken. Wel ging ik al na een half jaar de montessoriopleiding doen en opnieuw was het veel. Hielp ook niet dat ik een perfectionist was natuurlijk. En dat hulp vragen nog steeds niet mijn sterkste kant was. Maar ik leerde het wel. Ik heb uiteindelijk zelfs een coach gevraagd, waardoor ik enorm groeide in mijn vak en als mens. Die jaren, werkend met kleuters, geïnspireerd door mijn montessoriopleiding, en gesteund door collega’s, leidinggevenden en mijn coach, heb ik het vak pas écht geleerd.

En nu een goede start!

3 December jl. mochten de Leraren van het Jaar 2014 bij Jet Bussemaker pitchen over de ideale begeleiding van de startende leraar. Natuurlijk had ik daar zelf ideeën over, maar ik vind het als ambassadeur van het onderwijs belangrijk dat ik input vraag uit het werkveld. Dus stelde ik de vraag op Twitter. Daar kwamen veel mooie en waardevolle reacties op. Uiteindelijk gaat mijn pitch in op drie onderdelen: verlichting van de letterlijke werkdruk (urenmindering), verlichting van de beleving van de werkdruk (kennisopbouw) en samenwerking met de Pabo (overgang). Hier volgt mijn pitch.

Het belangrijkste is dat de startende leraar geniet van zijn werk. Om te zorgen dat dat werkplezier niet in gevaar komt, is het nodig dat hij geholpen wordt met de letterlijke werkdruk, de beleving van de werkdruk en de overgang van de Pabo naar de werkvloer.

Helpen met het verlichten van de letterlijke werkdruk kan in de vorm van urenverlichting in het eerste werkjaar (opbouw van werkdruk):

  • geen extra taakuren naast het begeleiden van de klas;
  • geen deelname aan vergaderingen die niet direct noodzakelijk zijn;
  • een dag per maand uitgeroosterd worden om deze te kunnen besteden aan onderwijsverdieping in de vorm van onderwijs ontwerpen of eigen professionalisering.

Helpen met de beleving van de werkdruk kan in de vorm van:

  • wekelijks contact met een ervaren, innovatieve, directe collega (die hier taakuren voor krijgt) die een luisterend oor biedt en helpt bij relativeren en prioriteren;
  • structureel contact met andere startende leraren van andere scholen onder begeleiding van een onderwijscoach, bijvoorbeeld het Starterscafé, waar ook invallers van harte welkom zijn (wanneer dit door een bestuur in samenwerking met de Pabo wordt georganiseerd, waarborg je de doorgaande lijn en waardevolle terugkoppelingen en ondervang je het buitensluiten van invallers en starters met tijdelijke contracten);
  • extra budget voor verdere professionalisering van starters waarmee hiaten in de noodzakelijke kennis direct kunnen worden opgevuld (het moet ook normaal zijn direct te kunnen aangeven waar de leerbehoefte van de starter zit, zonder dat hij het gevoel heeft er op afgerekend te worden; begeleiding los van beoordeling).

Helpen bij de overgang van de Pabo naar de werkvloer door samenwerking:

  • de Pabo komt niet alleen in de scholen, de scholen komen ook in de Pabo (leerkrachten geven daar les);
  • de Pabo hanteert een flexibelere invulling van opdrachten: de student krijgt meer mogelijkheden om ze op die manier uit te voeren zodat het past bij de stageschool en niet andersom (als starter en in het bijzonder invaller moet je ook direct flexibel kunnen werken binnen een bepaalde schoolorganisatie en – visie);
  • de Pabo geeft nazorg: een begeleider uit de Pabo volgt de startende leraar minimaal nog één jaar, waardoor de Pabo vanuit de oud-studenten directe nuttige feedback krijgt op de inrichting van de lerarenopleiding.

Ben je startende leraar? Kijk eens wat de LerarenKamer van de Onderwijscoöperatie voor je kan betekenen.

Deze tekst is ook gepubliceerd onder Lerarenblogs van de Onderwijscoöperatie.

Vrijheid in verbondenheid

Standaard
Image credit: Pink Sherbet Photography

Leider zijn in het onderwijs: Wie ben je en waar sta je voor? Waarom doen we de dingen die we doen? Waartoe doen we die dingen? Hoe weten we dat ze goed zijn? Mooie, essentiële vragen die aan de orde kwamen tijdens de conferentie van het NIVOZ 24 september jl. Een conferentie over leidinggevende zíjn, in plaats van het hebben of verkrijgen van allerlei competenties. Ik ben als leerkracht ook leidinggevende. Ik geef leiding aan mijzelf en aan mijn kinderen.

Het zijn gaat over moed, vertrouwen, authenticiteit en integriteit en is altijd in verbondenheid. Zonder verbondenheid is er in wezen niets. Dan heeft een thema als vertrouwen geen betekenis. Maria Montessori zag ook alles in verbinding: onze kosmos in haar geheel, maar ook de delen onderling. En dan vooral ook de mensen onderling. Ik ben wie ik ben in relatie tot de ander. Maar wíe ben ik dan en hóe ben ik dan? Em. hoogleraar ‘Onderwijsinnovatie en leiderschap’ Dolf van den Berg noemt het van fundamenteel belang dat wij onszelf kennen en telkens onze roeping vinden. Mijn roeping als een duurzaam verhaal met als doel: volledig in mijn kracht komen om voor de ander beschikbaar te zijn. Deze zin zou Maria prachtig hebben gevonden. Want wat voelt de leidster zich krachtig als zij erin slaagt zonder woorden de handeling te laten overnemen door het kind, als zij erin slaagt het kind de viertrap te laten beklimmen, als zij haar voorbereide omgeving tot bloei ziet komen door de levendige betrokkenheid en leergierigheid van de kinderen en als haar aanbiedingen als zinvol en betekenisvol worden ervaren.

En dat is, in mijn ogen, de missie van het onderwijs. Het moet ertoe doen, waardevol zijn, zinvol zijn, betekenisvol en samenhangend. Onze missie moet ook zijn dat we het samen doen: ouders, leerlingen, leerkrachten en directeuren. We moeten zorgen dat we in verbinding staan met elkaar, want willen we niet allemaal in wezen hetzelfde? Goed onderwijs, voor iedereen? Kinderen de kans geven zich te ontwikkelen, in hun kracht te staan en te ontdekken wie ze zelf zijn en willen zijn? Het lijkt zo simpel. Gewoon goed onderwijs verzorgen.

Maar het is zo complex, ons vak. Want wat is goed onderwijs dan? Balanceren moeten we in ieder geval, elke dag. Balanceren tussen aandacht voor de onderwijsinhouden (wat doen we en waartoe?), de onderwijsvormen (hoe doen we dit en met wie?) en de leerling (wat heeft het kind nodig?). Ik observeer en signaleer. Dan beslis ik: ingrijpen of juist even laten? Afwegen, keuzes maken, van minuut tot minuut. Complex ja, en vermoeiend soms, maar prachtig.

Prachtig, want we mogen leren. Alleen of samen, elke dag. Leren van nieuwe situaties, van kinderen, van collega’s. En zolang ik bewust regelmatig stilsta en blijf nadenken over het waartoe ik de keuzes maak die ik op bepaalde momenten maak, zolang ik mijn eigen ontwikkeling op peil houd en de sterke professional blijf, zolang ik in dialoog blijf met mijn leerlingen, ouders, collega’s en leidinggevenden en ik mij openstel voor feedback, nieuwe kansen en leermomenten, geef ik goed onderwijs. Dat geloof ik. En wat ik als leerkracht dan vooral nodig heb? Vertrouwen. Vertrouwen hebben in mijzelf en in de ander én vertrouwen krijgen van mijn leidinggevenden. Want ik heb mijn leidinggevende nodig, zoals een kind zijn leerkracht nodig heeft. En dat betekent naast vertrouwen ook vrijheid kunnen geven. Vrijheid in gebondenheid én vrijheid in verbondenheid. En ook dát zou Maria mooi gevonden hebben.

Voor deze blog raakte ik geïnspireerd door sprekers Gert Biesta en Dolf van den Berg en de tekst is eerder gepubliceerd in Montessori Magazine, 38-1.

 

Ik hoor je wel, maar ik zie je niet

Standaard
Image credit: Becky

Het succes van leerlingparticipatie hangt af van leerkrachtparticipatie: ruimte willen geven aan leerlingen en dus ook werkelijk geïnteresseerd zijn in hun persoon, behoeften en verhalen. Het gaat daarnaast niet alleen om de stem van de leerling, maar ook om de stem van de leerkracht. We moeten ruimte nemen om kinderen te kunnen leren hóe ze hun stem dan goed kunnen gebruiken: weloverwogen, onderbouwd en respectvol.

De taak van de leerkracht: wie ben ik?

Als ik werkelijk de stem van mijn leerlingen op MIJN verzoek wil horen, moet ik weten wat ik wil vragen en waarom. Als ik wil weten wat ik wil vragen en waarom, moet ik weten wat ik wil bereiken. Als ik wil weten wat ik wil bereiken, moet ik mijn doelen scherp hebben. Als ik mijn doelen scherp wil krijgen, moet ik kennis hebben. Als ik kennis wil hebben, moet ik observeren, gesprekken voeren, nadenken, lezen en reflecteren.

Als ik mijn bevindingen dan wil interpreteren, begrijpen en gebruiken, moet ik weten wie ik ben en welke waarden belangrijk voor mij zijn, want ik kijk door mijn eigen gekleurde bril.

De taak van de leerling: wie ben ik?

Als ik werkelijk de stem van mijn leerlingen op HUN verzoek wil laten horen, moeten ook zíj weten wat ze willen vertellen en waarom. Ook zij moeten hun doelen scherp hebben. Er is dan kennis nodig om te weten wat er nog te ontdekken en te leren valt. Leerlingen moeten dus kennis vergaren om te weten wat ze eigenlijk met hun stem willen dóen. Ook leerlingen moeten weten wie zij zijn en wat hun waarden zijn, om te weten wanneer en waarom ze hun stem willen laten horen. Ze moeten weten wanneer het voor hen écht belangrijk is en essentieel dat er naar ze geluisterd wordt of dat ze mee mogen beslissen.

De gedeelde verantwoordelijkheid: wie zijn wij?

Als leerlingen hun stem moeten leren gebruiken, dan is de stem van de leerkracht voor leerlingparticipatie dus essentieel. Een stem die kinderen leert en helpt te leren hoe de wereld in elkaar zit en welk belangrijk deel ze daarvan uit maken. Een stem die benadrukt dat ze een wereldburger zijn en samen leven met anderen. Een stem die beaamt dat ze inderdaad belangrijke kinderrechten hebben en hun mening mogen laten horen, maar die ze er ook bewust van maakt dat alle kinderen van de wereld daar net zoveel recht op hebben. Een stem die zorgt dat dit bewustzijn verankerd zit in het kind, waardoor dat kind – wanneer het dan de mogelijkheid krijgt om zijn stem te laten horen – óók weet dat hij verantwoordelijk is voor zijn stemgeluid en deze vervolgens met een respectvol geluidsniveau laat klinken.

Kortom, de stem van de leerkracht vertelt hoe het kind zijn stem kan gaan gebruiken en welke kennis daarvoor nodig is, alvorens de stem ook serieus gehoord zal worden.

Want hun stem moet wél serieus genomen worden. Het mag geen trucje zijn. Geen schijnstem. Geen schijnparticipatie. En wanneer leerlingen dan hun stem werkelijk kunnen en ook mogen laten horen, dienen wij ook te luisteren; écht luisteren en écht nieuwsgierig zijn. We dienen dan ook duidelijk te zijn. Leerlingen hebben er recht op om te weten met welk doel hun participatie gevraagd wordt en wat er met hun stem gedaan wordt. Ze moeten hiervan van tevoren op de hoogte gesteld worden, om teleurstellingen te voorkomen. Want het gaat niet slechts om de mogelijkheid van het geven van een stem, het gaat om wat we met hun stem ook daadwerkelijk gaan doen of wat juist niet haalbaar is en waarom dan.

Ik hoor je wel en ik zíe je ook

Willen wij in ons onderwijs beide stemmen ten gehore brengen, met leraar en leerling als partners, dan moeten wij elkaar zien en de ruimte geven. Wij moeten met elkaar in gesprek over het belang van beide stemmen. Daarvoor hebben wij allen kennis nodig. Kennis van de wereld, van onszelf en van elkaar. We moeten open staan voor de ander en vertrouwen hebben in elkaar. Dan nemen wij allen onze verantwoordelijkheid en hebben we respect voor elkaar: de basis van onze democratische samenleving. De basis van onze minimaatschappij de basisschool. We doen het zelf en we doen het samen. Een duet, een tweestemmig samenzang, waarbij we waken voor valse noten.

Deze blog is geschreven na mijn mooie ervaringen als dagvoorzitter van het symposium Stem van de leerling, 20 november 2014.

Lichtstralen in herfstige dagen

Standaard
Image credit: bark

‘Waarom werk je niet, Frederick?’, vroegen ze.
‘Ik werk toch’, zei Frederick.
‘Ik verzamel zonnestralen voor de koude, donkere wintertijd.’

Maria Montessori sprak over ‘het geven van een lichtstraal’; een prachtige verwoording van een van de belangrijkste taken van de leerkracht. Wij geven kinderen lichtstralen; licht dat maakt dat ze iets zien wat nog in het donker lag: een mogelijkheid, een ontdekking, of concreter, een lesje of materiaalaanbieding.

Maar misschien gaat het veel meer nog over onze lichtstralen als warmtebron: de bemoedigende blik, de hand op de schouder, de aai over de bol, de vertrouwelijke knipoog. Een lichtstraal die zorgt dat het kind gezien wordt. De gerichte straal waarbij we focussen op één kind en onze aandacht op dat moment volledig is. Gericht op het individu, maar nooit de groep, het geheel, uit het oog verliezend. Diffuus licht dat maakt dat we de bewegingen in de groep blijven zien en op enig moment ervoor kiezen onze straal op een ander kind of groepje te richten.

Het is mooi om stil te staan bij de metafoor van de lichtstraal. Zeker in deze herfstige dagen nu het weer sneller donker wordt. Wanneer we richting de winter weer wat minder buiten komen en de huiselijke sfeer opzoeken en deze sterk waarderen. Kaarsen aan, warme deken op de bank. Een veilige omgeving waarin we ons kunnen bezinnen: even stilstaan, even nadenken, even niets. Gewoon even zijn. Wellicht is dat de grootste kracht van onze lichtstraal: ons warme licht dat veiligheid biedt om als kind er gewoon te kunnen zijn.

‘Doe je ogen maar dicht’, zei Frederick, en hij klauterde op een grote steen.
‘Nu stuur ik jullie mijn zonnestralen. Voel je hun warmte, hun gouden gloed…’
En terwijl Frederick sprak van zon en zomer, werden de vier muizen al warmer en warmer.

Tekst uit: Frederick, Leo Lionni (Deventer, 1979)

 

Teacher: show yourself!

Standaard
Image credit: Jenny Downing

Een van de onderwerpen op het Lerarencongres was het veelbesproken Lerarenregister. In 2017 zijn alle leraren verplicht zich hierin te registeren en via deze weg hun professionele ontwikkeling aan te tonen. Verplicht. Nou nét dat ene woord weer, dat bij veel leraren direct weerstand oproept. En dat is zonde, want het Lerarenregister kan óók een kans zijn. Een kans om onze beroepsgroep te versterken. Door onze professionalisering in kaart te brengen, worden we samen sterker.

Recht op goed onderwijs

Het register is een kans om te laten zien dat je een professional bent. De professional die zich blijft ontwikkelen, omdat onze maatschappij verandert. De professional die weet dat zijn onderwijs mee moet groeien, want je bereidt je leerlingen voor op de toekomst. Dan kun je dus niet stil blijven staan. Sterker nog, je bent het verplicht aan je leerlingen, om je te ontwikkelen. Ze hebben recht op de leraar die weet wat er speelt en die actief op zoek gaat naar dat wat hij nodig heeft aan nieuwe kennis en vaardigheden om te kunnen blijven omgaan met grote uitdagingen als passend onderwijs. Ze hebben recht op de leraar die nieuwe wetenschappelijke inzichten en theorieën meeneemt in zijn dagelijkse lespraktijk. Zodat ze erop kunnen rekenen dat hun leraar zo goed mogelijk kan aansluiten bij hun behoeften en ontwikkeling. Zodat ze er vanuit kunnen gaan goed en hedendaags onderwijs te krijgen.

In mijn oproep aan de gelukkige leerkracht, vraag ik leraren naar hun passie, kracht, talent. Ik roep ze op om hun deuren open te zetten en te laten zien wie ze zijn en waar ze trots op zijn. Zijn wij namelijk niet gewoon net als onze kinderen? Die het fantastisch vinden om iets te laten zien waar ze trots op zijn? Die groeien van aandacht en alleen maar meer aangemoedigd worden om nog meer te leren en moois te laten zien?

Teacher: show yourself!

Wees trots op jouw ontwikkeling als professional. Laat deze zien aan je directe collega’s, maar ook aan indirecte collega’s. We hebben zo’n mooi beroep. We kunnen samen zoveel meer bereiken en onze beroepsgroep sterker maken en onszelf een duidelijkere stem geven. Dat willen we toch? Dat er naar ons geluisterd wordt? Dat we bottom-up werken en niet top-down? Maar als we dat écht willen, dan moeten we ook onze verantwoordelijkheid nemen. Verantwoordelijk zijn voor onze eigen professionele ontwikkeling. Vragen om díe bij- en nascholing die jij nodig hebt om een betere leraar te worden. Zorgen dat de scholing bij je past.

Want dan ben jij geïnteresseerd; intrinsiek gemotiveerd. Dan wíl jij leren. Dan heb je weer de kennis om je leerlingen en jezelf verder te helpen. En dat betekent meer voldoening, meer werkplezier.

En dan kost het niet veel moeite meer om jouw welverdiende certificaat of diploma onder de scanner te leggen voor het Lerarenregister. Sterker nog, als jij trots bent op dat wat jij geleerd en gepresteerd hebt, dan wil je dat laten zien.  En dat kan dan, onder andere, in het Lerarenregister. Óns register dat een startpunt wordt voor onze manifesterende beroepsgroep. We will show ourselves!